In februari 2024 vertrokken we op een onvergetelijke expeditiecruise naar het witte continent. Samen met 100 enthousiaste klanten trotseerden we de ruige zeeën van de Zuidelijke Oceaan, op zoek naar adembenemende landschappen, het unieke dierenleven en de ongeëvenaarde stilte van Antarctica. Deze reis was niet alleen een ontdekkingsreis naar de uitersten van de wereld, maar ook een ervaring die een diepe indruk achterliet op onze Belgische klanten. Van kolossale gletsjers en ijsbergen tot nieuwsgierige pinguïns en majestueuze walvissen, elke dag bood nieuwe verrassingen en onvergetelijke momenten. In dit verslag nemen we je mee langs de hoogtepunten.
Tekst: Johan Van Praet
Foto & video: Yan Verschueren en Didier Lammens
Dag 1
Uit alle hoeken duiken we gezond en wel op. Sommigen genoten al enkele dagen van Buenos Aires en de watervallen van Iguazú, anderen vlogen in met een andere luchtvaartmaatschappij, nog anderen … Maar het gros van de groep doorstond in één ruk 14.458 km of 17 vlieguren. Antarctica ontdekken is niet voor softies. Uiteindelijk zullen we, afhankelijk van de wispelturige weergoden, drie tot vier dagen onderweg zijn om ons einddoel te bereiken. Adrien de Gerlache, de Belgische baron-poolavonturier vertrok op 16 augustus 1897 uit Antwerpen en zette 161 dagen later voor het eerst voet op Antarctica (Auguste Eiland, 23 januari 1898). Waar maken wij ons druk om?
Ushuaia – spreek uit ‘oeshoewaiea’ – kreeg zijn naam van de Yámana-indianen en betekent zoveel als ‘baai in het licht van de zon’, lees ik in mijn documentatie terwijl de bus naar het hotel op een heuveltop kronkelt. Het is bijna middernacht als ik ga slapen. Ik tuur boven de heuvel naar de baai beneden. Honderden lichtjes twinkelen breed uitgesmeerd over de baai. Nauwelijks te vatten dat de indianen hier vroeger zonder kleren in hun kano’s rondpeddelden. “Subhuman beings without a spriritual life”, beschreef Darwin ze oneerbiedig. Vandaag is Vuurland een walhalla voor natuurliefhebbers. Ushuaia hun uitvalsbasis.
Anno 2024 kraakt de nederzetting met dik 70.000 inwoners uit zijn voegen. Dat verwondert me niet, het gros van alle toeristenboten richting Antarctica vertrekt van hieruit. In het spoor van echte helden – Sir Ernest Shackleton bijvoorbeeld of Jean-Baptiste Charcot en Frederic Cook – het laatste stukje onbekende wereld tegemoet
Ondanks het feeërieke lichtjesspel kun je de zuidelijkste stad ter wereld bezwaarlijk een paradijs noemen. Eind 19e eeuw volgden de Argentijnen het voorbeeld van andere landen en bouwden ze een gevangenis op een eiland. De eerste zware criminelen en politieke dissidenten arriveerden in 1896. Vluchten kon niet meer en voor velen eindigde hier dan ook letterlijk de wereld.
La fin del mundo was ook Adrien de Gerlache’s laatste aanleghaven vooraleer hij met de Belgica, een driemaster uitgerust voor de robbenjacht, naar de Zuidpool stevende. Op nieuwjaardag 1898 lichtte hij hier het anker. Ik was erbij toen … we in 2008 het borstbeeld van de baron-avonturier onthulden op de promenade langs het Beaglekanaal. Liefst 87 baaien, eilanden, bergen en zee-engtes op Antarctica gaf hij Belgische namen tijdens de 14 maanden durende verovering van terra incognita.
Ook voor zijn kleindochter Hélène de Gerlache is het haar maidentrip richting Antarctica. “Soms lijk je zo ver weg, maar vandaag voel je zo dichtbij”, spreekt ze vol trots en emotie wanneer we kort hulde brengen aan haar beroemde grootvader. “Ik ben grootgebracht met de geschiedenis van de Belgica-expeditie en ben fier dat ik zal kunnen ervaren hoe jij tot het uiterste ging om ons familiedevies ‘doe goed en doe het goed’ in daden om te zetten.”
We hebben nog tijd voor een blitzbezoek aan de vroegere gevangenis, vandaag Maritiem Museum. In de voormalige cellen liggen authentieke spullen van expedities. Foto’s van verloren gewaande avonturiers tonen hoe maandenlange koude, ijs en ontbering de mens kunnen havenen. Claude, die als gids post vatte bij de cellen, neemt ons mee in het verhaal over de krachttoer van Adrien de Gerlache. Maar eenmaal voorbij de cellen waar helden worden geroemd, grijpt de verstikkende geur van de junta die opstijgt uit de niet-gerestaureerde delen van het cellencomplex, naar de keel. Wat zou ik klagen als het straks misschien wat harder gaat waaien in de Drake Passage.
19u30 gooit MV Sea Spirit de trossen los. Het wordt kantje boord, want een stevige westenwind duwt het schip telkens weer tegen de kade waardoor ontsnappen onmogelijk lijkt. Maar onze Oekraïense kapitein Oleg geeft niet op en na een scherp manoeuvre varen we het Beaglekanaal op. De doorsteek tussen de Stille en Atlantische Oceaan draagt de naam van de hond van Britse kapitein FitzRoy, die hier in 1826 met de HMS Beagle op expeditie kwam. Toen nog zonder Darwin. “Welkom aan boord van ons ijsversterkte schip.”
Nadat de kajuiten zijn verkend, maakt Assistant Expedition Leader Miriam ons wegwijs op het schip en overloopt ze de spel- en (bovenal) de veiligheidsregels. Storm, noch orkaan vormt het grootste gevaar voor het schip. "Brand is de grote boosdoener", legt ze uit. "Niemand kan immers ontsnappen van het schip." Ook goed om weten: “Eén iemand ziek, dan is de kans groot dat iedereen dat wordt. En … een ongeluk treft iedereen. Met andere woorden: neem geen risico’s.”
Tijdens de veiligheids- en evacuatiedrill schuift iedereen gedisciplineerd en met feloranje reddingsvest in één lange rij, handen op de schouders van je voorganger, naar een toegewezen dek, bak- of stuurboord. Bijna roep ik ‘changer!’. (Niet doen, dit is ernstig.) Eén lange hoorn betekent ’abandon ship’. ’t Is maar dat je het weet. Na het diner staan we opnieuw netjes in de file. Dit keer om onze knalrode parka’s – felle kleuren maken ons zichtbaar aan land en op zee –, de laarzen en patches op te halen.
Vijftig zeemijl (een mijl is 1,852 km) later wordt de loods van ons schip geplukt, het signaal dat we Beaglekanaal verlaten en … Drake Passage bereiken. De meteo geeft hoop op een rustige oversteek. “Tijdens de nacht neemt de wind geleidelijk aan af”, probeert Annick me gerust te stellen. “Of ga naar de bar op dek vier, een van de meest stabiele plaatsen op het schip”, spreekt Miriam uit ervaring. Ik neem geen enkel risico en slik mijn eerste 25 mg Stugeron.
We laten ‘Les Eclaireurs’, de meest zuidelijke vuurtoren ter wereld, achter ons en meteen ook de wereld zoals we die kennen.
Dag 2
Mijn ‘spartaanse’ voorbereiding beschermt me vrij goed tegen de aangekondigde golven en deining: een kuur van twee weken geconcentreerde gember, geen alcohol, voldoende nachtrust en weg met de deo en aftershave – ik gun de baard enkele dagen rust.
Iets voor 3 uur beleeft Els de turbulente nacht als iets mythisch: “Ik lig, luister, observeer, … op de rug. Ontspannen, op de maag na. Yoga. Ik glijd weg in een soort schilderij van penseelstreken gemaakt door mijn lichaam, op het ritme van het varen. De gordijnen volgen hetzelfde patroon. Ik ben dus niet alleen, en besef: alles komt goed.”
Zeeziekte is een gevecht tussen oor en oog, waarbij de maag altijd wint. Gelukkig maakt Drake Passage, 800 km open zee tussen Kaap Hoorn en de voorhoede-eilanden van Antarctica, zijn reputatie als een van de ruwste zeeën ter wereld vandaag niet waar. Zonder obstakels draaien de winden hier met hoge snelheden rondom het Antarctische continent en stuwen de golven tot grote hoogte – 10 meter is geen uitzondering. Maar vandaag dus gelukkig niet. Bij een windsnelheid van 20 knopen (4 tot 5 beaufort) rolt het schip gemoedelijk en reiken de golfjes niet hoger dan 2 tot 3 meter, de naam ‘woest’ niet waard. De meeste passagiers waggelen dus toch naar het ontbijt. Met onze benen van gelijke lengte zijn we echter niet uitgerust om ons in deze kantelende wereld voort te bewegen. Ik volg de gouden raad van Miriam: “Houd altijd één hand voor jezelf, één voor het schip. Grijp steeds de klink van een deur, nooit de rand. Die kan door een bruuske rol van het schip plots dichtklappen.”
Drake Passage, het gemeenste stuk zee ter wereld, is al even berucht als zijn naamgever, de Engelse zeevaarder-piraat Sir Francis Drake. In opdracht van koningin Elisabeth I ging hij op zoek naar nieuwe landen in de Zuidzee en voer van 1577 tot 1580 met zijn schip de wereld rond. Een nieuw continent vond hij niet, wel een tweede poort naar de Stille Oceaan. Op de bodem van ’s werelds meest turbulente zeestraat liggen honderdvijftig scheepswrakken en tweeduizend doden. Niet te verwonderen dat de oversteek een kwalijke reputatie heeft bij zeelieden: ‘Onder de 50 graden zuiderbreedte geldt geen wet, onder de 60 graden is er geen god.’
We zijn amper vertrokken en het programma wordt al aangepast. De voor iedereen verplichte briefing over de strenge IAATO-gedragscode en het inschepen in de zodiacs wordt naar morgen verschoven. Claude springt in het gat. Voor een halfvolle Oceanus Lounge - de overige passagiers liggen ergens in bed – brengt hij in naam van dr. Jozef Verlinden, de geschiedenis en het wetenschappelijk belang van de Belgica-expeditie weer tot leven. Nog even geduld en het is onze beurt.
Als we onze snelheid van 14 knopen (zeemijl per uur) aanhouden, bereiken we morgen om 12u45 het piepkleine Barrientos Eiland. “Maar het zal iets later zijn”, berekent tweede stuurman Kriel. “Naarmate we het eiland naderen, moeten we immers vertragen om aanvaring met walvissen te vermijden.” Kriel is Filippijn en tekent samen met de Oekraïense kapitein en de Filippijnse Chief officier Rome onze route uit. Een plek die niet veilig kan worden bereikt, verdwijnt zonder tegenpruttelen van het programma. De overige 67 bemanningsleden zijn vooral Filippijnen. Ze blijven gemakkelijk 9 maanden aan boord en werken 7 op 7. Weer of geen weer.
Maar we zijn er nog lang niet. Eerst maakt onze glacioloog Frank ons warm voor zijn oersaaie lezing – niet mijn, maar zijn woorden – ‘IJs en klimaat: Antarctica’. Hij spreekt zichzelf tegen, want ik steek een pak boeiende informatie op. Had je anders verwacht? IJs is zijn dada en het belang ervan voor onze klimaat kun je onmogelijk onderschatten. “Minder ijs betekent minder weerkaatsing van zonlicht (een laag albedo), dus meer opwarming; en een zeespiegel die stijgt. Wereldwijd met 57 meter mocht alle ijs op Antarctica smelten.” Zo overspoelde meester Frank ons met tal van onderbouwde, helaas vaak ook verontrustende weetjes. “Antarctica is het archief van ons verleden, maar wellicht niet van het menselijk geweten. Morgen meer over de toekomst van Antarctica.”
Hoe minder beweging buiten, des te meer binnen moet expeditieleider Sergey hebben gedacht. In de Oceanus Lounge, de place to be voor alle lezingen en briefings, nodigt hij ons uit op zijn welkomcocktail waar hij zijn expeditieteam voorstelt: een paar doorgewinterde biologen en milieuwetenschappers, een ornitholoog, kajakdeskundigen … uit alle hoeken van de wereld. Glacioloog Frank van ons Asteriateam zal zijn beste Engels, Duits, Zuid-Afrikaans, Zweeds, Chinees, Russisch, Italiaans en Spaans moeten bovenhalen.
Omstreeks 20 uur passeren we de Antarctische Convergentie, de natuurlijke grens waar de koude poolwateren onder het warmere water uit het noorden duiken. Daardoor worden heel wat voedingsstoffen van de zeebodem naar boven gestuwd. Eens voorbij dit biologische voedselfront groeit de hoeveelheid algen, krill en ander klein zeeleven. Ze vormen de levensbelangrijke basis van de Antarctische voedselketen.
Dag 3
‘Rotsen die uit de zee groeien, haarlokken van de vrouw die in de golven woont, naakte bergtoppen die de hemel doorboren.’ Zo tekende de Nieuw-Zeelandse etnoloog Stephenson Percy Smith eind 19de eeuw de woorden op van enkele Maori’s (de eerste bewoners van Nieuw-Zeeland). Zij herhaalden wat hun verre voorouders hadden doorverteld:Te tai-uka-a-pia (zee met ijs en geraspte pijlwortel) wat zoveel betekent als ijszee. De geschiedenisboeken geven de Russische kapitein Fabian von Bellingshausen de credits om in 1820 als eerste het vasteland van Antarctica te hebben gespot. Maar nu blijkt dat Polynesische zeevaarders, onder leiding van Hui Te Rangiora, al in het begin van de 7de eeuw de kusten van Antarctica aanschouwden. Ere wie ere toekomt.
19 januari 1898. Om 4 uur ’s middags riep de wacht iets uit het kraaiennest van de Belgica. Was het Noors ‘Isfjell!’ misschien Frans ‘Iceberg!’ of Vlaams met een Antwerps accent ‘IJsberg!, of de drie talen tegelijk?
20 februari 2024. Om 09u14 spot ik mijn eerste ijsberg(je) – ik beweer niet dat ik de eerste was. Niet veel later doemt vaste grond op uit de mist: de Zuidelijke Shetlandeilanden, de archipel die de buitenste ring vormt rondom het vasteland van Antarctica. Straks maken wij onze eerste landing op Barrientos Eiland, nog geen vierkante kilometer in oppervlakte. Grootte doet er niet toe. Iedereen snakt naar vaste grond onder zijn voeten en bereidt zich voor op de eerste stap. Miriam legt uit hoe we zonder heksentoeren in en uit een zodiac stappen. Hoe dicht we pinguïns mogen naderen, of omgekeerd. Iedereen in haar internationaal team krijgt een taak en rol om te vermijden dat we in het water sukkelen.
Onze natuurfotograaf Yan krijgt de eerste gewone vinvis voor zijn lens. Hoe dichter we land naderen, hoe meer dieren zich laten zien. Kinbandpinguïns floepen langszij in en uit het water. Walvissen verraden zich door hun ademstoot of luchtfontein wanneer ze boven water komen om lucht te happen. In een mum van tijd staat iedereen op het dek, verrekijkers in aanslag om de groep kolossen te zien opdoemen uit de golven. Check!
Wie liever naar boven keek, zag de wenkbrauw-, roetkop- en de grijskopalbatros, de noordelijke en zuidelijke reuzenstormvogel, de Kaapse duif, het Wilson-stormvogeltje, … Ze doen zich in de wijde omgeving van ons schip tegoed aan al het lekkers dat de schroeven bovenwoelen. Albatrossen zullen we in Antarctica zelf niet meer ontmoeten, hun territorium zijn de eilanden in de zuidelijke wateren, en vooral de oceaan zelf.
En het houdt niet op. Passeerden in de loop van de dag ook de revue: Antarctische aalscholver, Zuidpoolkip, Subantarctische grote jager – beter gekend als skua –, Zuidpoolstern, kelpmeeuw, kerguelenzeebeer, Weddellzeehond en zeeluipaard.
Landen op Antarctica doe je echter niet zomaar. Je respecteert de strenge IAATO-gedragscode. In mensentaal: ’Houd Antarctica puur’. Daarom desinfecteren we onze laarzen en zuiveren we al onze buitenkledij vooraf met stofzuigers. Dat moet voorkomen dat uitheemse flora (zaden of sporen verstopt in de naden of op de velcro van jassen en rugzakken) het fragiele evenwicht tussen de zowat 350 Antarctische soorten verstoort. Sporen of zaden uit de oude wereld mogen niet in de nieuwe belanden. De ecologische balans in dit gebied is zo kwetsbaar dat een voetstap in het schaarse groen na tien jaar nog zichtbaar is. Je laat dus niets achter, alleen foto’s en herinneringen neem je terug mee aan boord. Bovendien zit de schrik voor de vogelgriep er diep in. Zo mag je niet gaan zitten of liggen om foto’s te nemen en wandel je enkel in die zone die de gidsen vooraf met rode wimpels afbakenden.
Het zal de pinguïns worst wezen. Zij krijgen toch altijd voorrang … en nemen die ook. Kriels berekening klopt. Het is vroeg in de namiddag als we Drake Passage achter ons laten en niet veel later Barrientos Eiland (62° 24’ Zuid – 59° 44’ West) bereiken. Het mini-eiland ligt geklemd tussen de grotere broers Robert en Greenwich. De spanning stijgt voelbaar. Het is 2°C en de wind haalt 12 knopen (zo’n 20 km/u). Goed voor een gevoelstemperatuur van -6°C. We landen midden in een zoo van kinbandpinguïns, ezelspinguïns en ander gevogelte. En één eenzame Weddellzeehond die zich niet eens de moeite getroost om zijn lijf es op te richten. Sergeys instructies zijn duidelijk: benader de dieren niet dichter dan vijf meter, stap niet in een pinguïnsnelweg, geef de dieren altijd voorrang en bovenal … geniet!
“Poot mij hier een strandstoel neer en uren blijf ik turen naar die vrolijkmakende beestjes”, glundert Henk. Rondomrond hollen muitende jongen achter hun vader of moeder aan, bedelend om voedsel. “Dat is de ‘voedseljacht’”, legt ornithologe Serena uit. “Het jong dat het snelst rent, krijgt te eten. Het ander – zwakkere jong – niet of minder. Zo zijn de ouders zeker dat het sterkste dier het haalt, zeker als er geen voedsel in overvloed is.” Sven, de Zweedse zodiacdriver, brengt ons terug naar schip en serveert het toetje: een zeeluipaard.
Morgen kajakken!
Dag 4
08u15, groep A van de kajakkers wringt zich in hun waterdichte pakken. En staat luttele minuten later als een kleine kolonie blauw-gele enthousiastelingen gespannen te trappelen aan de ‘marina’ (het achterdek waar we in de zodiacs stappen). Ik stel Bruno gerust, ‘het zijn stabiele bootjes’. “Maar mijn vrouw zit niet zo stabiel”, grapt hij terug. Lisa is de rust zelve.
“Er zijn nu eenmaal dingen die vrouwen niet doen. Ze worden geen paus, geen president en ze gaan niet naar Antarctica”, snauwde Harry Darlington zijn vrouw Jennie toe. Uiteindelijk nam hij ze toch mee op de Amerikaanse Ronne Antarctic Research Expedition (1947). Na een jaar op het continent blikte ze in haar dagboek terug op haar verblijf en omschreef Antarctica als ‘vrouwelijk, wispelturig, veranderlijk, onvoorspelbaar. Haar laaghartigheid verbergt ze onder een dikke laag witte make-up die ongerepte puurheid belooft. Maar soms doet ze plotseling haar handschoenen uit, rolt haar mouwen op, en met de wildheid van een wolvin grijpt ze je bij de strot.’
Niets van gemerkt toen we deze ochtend Mikkelsen Harbour (63° 54’ Zuid – 60° 46’ West) binnenvoeren. Het sneeuwt poeder bij 1°C en een zacht briesje (7 knopen) met de walm van pinguïnguano kietelt onze neusvleugels. Klarius Mikkelsen was een Noorse walvisjager die, begin 20ste eeuw en tegen alle etiquette in, zijn vrouw Caroline meenam op de jacht. Zij was trouwens de eerste vrouw die later voet zette op het Antarctisch vasteland (1935). Wij landen op D’Hainaut Eiland (63° 54’ 09” Zuid – 60° 47’ 29” West) waar een kolonie ezelpinguïns huishoudt tussen de beenderen van walvissen en het wrak van een watersloep. Daarmee brachten de walvisvaarders zoetwaterijs aan boord van de schepen om de watervoorraad aan te vullen.
De ezelpinguïns houden zich koest – als ze zich laten horen lijkt hun keelgeluid op dat van een balkende ezel – wat de omgeving nog indrukwekkender in de stilte onderdompelt. Enkel onderbroken door een sporadisch luide knal van krakend gletsjerijs en het zachtjes snorren van een Weddellzeehond. We wandelen tot de Argentijnse schuilhut ‘Caillet-Bois’ uit 1954, vandaag bezet door poolkippen en de onvermijdelijke pinguïns. "Loop niet naast het pad, tenzij je tot je knieën wilt wegzakken in de sneeuw”, waarschuwt Miriam. “Maak je alsnog een gat in de sneeuw, vul het dan weer op, want een pinguïn geraakt er op eigen kracht niet meer uit.”
“Ik ben trots op mezelf.” Gerda klautert opgelucht uit haar kajak. Voor ze vertrok zat de stress nog te woekeren. “Weer een ervaring rijker.” Deze namiddag staat een tweede, langere tocht door Cierva Cove (64° 07’ Zuid – 60° 59’ West) op het menu. Adrien de Gerlache spotte de inham in Hughes Baai, maar heeft hem niet benoemd. Dat deed de UK-APC (United Kingdom Antarctic Place names Committee) in 1960 wel naar Juan de la Cierva, de Spaanse ontwerper van de autogiro. Zoals je bij ons in de Bloemekeswijk de Tulpenstraat en het Rozenplein hebt, noemden ze de plaatsen en baaien hier naar ingenieurs uit de luchtvaart en autoindustrie.
Het decor met massieve ijsmuren en afkalvend ijs dat zich in de inham opstapelt is de ideale plek voor een zodiaccruise. Ik duffel me extra warm in. Een dik uur in een zodiac bij 1°C en windkracht 6 voelt als min 8°C. Met een motor van 60 pk slalomt Sergey ons door de baai, ’growlers’ - ijsbrokken soms zo groot als een auto, verstopt net onder het wateroppervlak - ontwijkend. Speurend naar leven ‘botsen’ we op een jong zeeluipaard zonnend op het ijs. “De geduchte jager verslindt krabbeneters (een zeehondsoort), pinguïns … maar voedt zich even zo goed met miniscuul krill”, weet Sergey. “Te vaak worden ze als ware moordmachines afgeschilderd.” Een licht bewolkte hemel biedt het mooiste licht om de vijftig tinten blauw van het ijsbergentapijt dat ons omringt te bewonderen. Terwijl de deining de drijvende sculpturen wel twee tot drie meter uit het water tilt. Hemels.
Jezusvogeltjes zoeken sierlijk naar voedsel. Zo noemen zeevaarders de kleine Wilson-stormvogel die met de pootjes net boven het oppervlak scheert, alsof het over het water loopt. Intussen ploegt onze zodiac verder door het bassin van almaar compacter samenklittend ijs. De zodiac kronkelt als een slang van open plek naar open plek. Langzaam maar zeker dichter naar het eilandje waar een eenzame pelsrob ligt te rusten. Een jong mannetje dat het gevecht om een vrouwtje heeft verloren. Volgend jaar beter. We moeten voortmaken richting Sea Spirit. Het risico wordt te groot dat we vastlopen of niet op tijd terug zijn …
… voor de briefing voor de kampeerders. Dertig diehards gaan vannacht vrijwillig slapen – what’s in a name – op Portal Point (64° 30’ Zuid - 61° 46’ West). Onder de blote hemel welteverstaan. Anders gezegd: je persoonlijk ligputje graven (tegen de wind), je in de waterdichte en thermische bivi-slaapzak wringen (tegen de kou), naar de sterren kijken en enkel bij hoog water op de emmer (tegen een natte slaapzak). Benieuwd naar hun verhalen morgenvroeg … vroeg.
Op weg naar de kampeerplaats door de Gerlache Straat komt de ene na de andere bultrugwalvis lucht happen om daarna met een laatste staartwuif naar de diepte te duiken. Philippe, de man die eeuwig op uitkijk staat, toont me zijn close-up van een bultrugkop die de watermassa uit zijn muil perst. De voldoening voelt groots na geduldig volharden.
Enkele uren later is het opnieuw bingo en zetten we onze eerste stappen op continentaal Antarctica. Het sneeuwt. Terwijl het duister valt, gaan we aan wal op een kleine landtong van kale rotsen. "Van hieruit is het zo’n tweeduizend kilometer rechtdoor stappen naar de geografische zuidpool", lacht Flipper. Portal Point (64° 30’ Zuid - 61° 46’ West) noemden de Britten onze landingsplek op het schiereiland Reclus, omdat het zo’n gemakkelijke toegangspoort was tot het continent. De hele regio hier werd ontdekt door de Belgica-expeditie.
We ploeteren in de diepe sneeuw naar boven waar Piet als een volleerd toeristenfotograaf kiekjes maakt van elk koppel dat de top van continentale ijstaart bereikt. Hier kun je alleen maar 360° genieten van het surrealtische landschap: bergen, gletsjers, ijsbergen, een trio Weddellzeehonden en een kleine kudde pelsrobben.
Aan de overkant de fundamenten van hut ’W’ die de Britten hier officieel openden op 13 december 1956 (ze benoemden hun bases met de letters van het alfabet). Twee jaar en enkele maanden later deed de laatste Brit de deur dicht. Het Antarctisch Verdrag is onverbiddelijk. Gebouwen die je achterlaat, breek je af. Dus ontmantelden de Britten in 1996 hun hut en lieten ze plank per plank als museum heropbouwen in het Falklands Museum op de Falklandeilanden.
Dag 5
07u00 - Wake-up call ‘It’s a beautiful day’ zingt Bono door de intercom – hij is niet aan boord voor alle duidelijkheid. Buiten is het 2°C en zucht de wind 7 knopen uit het zuidoosten. De zon priemt door de lage wolken. Douchen en ontbijt.
08u45 - Ik start mijn zoveelste omkleedpartij van de reis, in die volgorde: thermisch ondergoed, fleece, jeans, dikke sokken, laarzen waterdichte bovenbroek, windjas, muts, handschoenen, reddingsvest …
Het paar orka’s op 9 uur – de hoek waarheen je moet kijken met als ijkpunt de boeg van de Sea Spirit op 12 uur – heb ik helaas gemist. Geen paniek. De eerste zodiacs zijn amper te water als twee foeragerende bultruggen opduiken. We volgen moeder en kalf een uur lang op 20 meter afstand terwijl ze rollen en duiken, maar slechts één staartvin laten zien. “Dat was meer dan het wachten waard.” Martine krijgt maar niet genoeg van het observeren.
Na een uur dobberen en genieten, zetten elf zodiacs koers naar Foyn Harbor (64° 33’ Zuid - 62° 01’ West), een ankerplaats tussen Nansen Eiland en Enterprise Eiland in de Wilhelmina Baai. Walvisvaarders vernoemden de beschutte inham naar het fabrieksschip Svend Foyn dat hier opereerde tijdens het jachtseizoen 1921-22. De natuurlijke haven werd druk bezocht tussen 1912 en 1930. Het wrak van de Guvernøren – bezet door een kolonie Antarctische sternen – prikkelt de verbeelding. Met honderden, zo niet duizenden werden de geharpoeneerde walvissen hier verwerkt tot blubber en olie. De 139 meter lange Noorse walvisvaarder vloog in 1915 in brand, met in het ruim 16.615 vaten walvisolie. Het fabrieksschip stond op het punt terug te keren naar het moederland, maar tijdens het wilde slotfeest stootte een matroos een olielamp om. De uitslaande brand betekende het einde. Gelukkig wist de kapitein het vege lijf van de 85 bemanningsleden te redden. De bultruggen hadden minder geluk. "Meer dan 100.000 werden in deze wateren afgeslacht eind 19de, begin 20ste eeuw", weet gids Stephanie. "Tot voor kort was de soort nog met uitsterven bedreigd. Vandaag zwemmen er opnieuw zo’n tienduizenden rond op het zuidelijk halfrond."
Iets verderop liggen de wrakken van twee houten waterboten. Walvisvaarders gebruikten ze om vers drinkwater aan boord van de fabrieksschepen te brengen. In dezelfde buurt botsen we nog op een kolonie(tje) Antarctische aalscholvers en een stevig groepje pelsrobben.
12u00 - Ik wring me in mijn blauwe kajakdroogpak. Het sluit zo dicht, dat het voelt alsof ik langzaam zal stikken. “Dat went wel, eens je op het water zit”, stelt kajakmaster Dario me gerust. Hilde belooft me op tijd een seintje te geven mocht mijn hoofd de kleur van mijn pak krijgen.
12u15 - Tweede, en wellicht laatste kans. “Orka’s aan bakboord”, galmt het door de intercom. Zelden liep de bar zo snel leeg. De kapitein vertraagt. Een familie zwaardwalvissen langs het schip. Ik tel er tien. Zelfs restaurantmanager Andreij komt naar buiten om van het spektakel te genieten. De orka is de grootste dolfijn en gemakkelijk herkenbaar aan zijn zwart-witte pandatekening. Het zou me niet verwonderen als er deze ochtend geen duizenden foto’s zijn genomen.
12u30 - Lunch, fish-and-chips. Ik verorber twee volle borden – de dagen hier vergen veel energie. Intussen glijdt Sea Spirit rustig het Errera Kanaal binnen. Het scheidt het uitgestrekte Arctowski Schiereiland van het kleinere Cuverville Eiland (64° 41’ Zuid - 62° 38’ West).
15u00 - Ik wring me opnieuw in mijn kajakpak. Dit keer voor echt. Tegelijk vertrekken de niet-kajakkers richting Cuverville Eiland waar ‘s werelds grootste kolonie ezelspinguïns, zo’n 10.000 stuks volgens de meest recente telling, thuis is. Hun uitwerpselen of guano werd vroeger zelfs van de rotsen geschraapt en als kostbare meststof verkocht in Europa.
In 1898 zette Emile Racovitza, de Roemeense zoöloog van de Belgica-expeditie, hier als eerste bekende mens voet aan land op Cuverville. Iedereen zwermt uit en kijkt … hoe de volwassen pinguïns hun crèches beschermen tegen de skua’s (reuzenroofmeeuw) die op elk onbewaakt moment een kuiken kunnen roven. Hoe Yan aan de waterlijn een aanzwemmende pelsrob schiet. Hoe de gestrande ijsbergen oplossen in het mystieke decor van mist en lage wolken. Hoe de gidsen met vlagstokken in de diepe sneeuw een weg uitzetten richting top. Hoe een groepje klimmers zich naar boven zwoegt. Het uitzicht op pakweg 100 meter is niet te vatten in een zin, laat staan op een postkaart.
15u30 - Terwijl zij naar boven schuiven, laat ik me zakken achteraan in de smalle tweezit en zet mijn voeten goed op de pedalen waarmee ik het roer aanstuur. Lutgard fungeert als mijn paar ogen en stuurvrouw. Onder begeleiding en het wakend oog van de ervaren zeekajakkers Dario en Martin verkennen we de kustlijn. Er staat nauwelijks wind, de zon schittert oogverblindend blauw en wit op de gletsjers en ijsbergen. Pinguïns floepen rondomrond in en uit het water, op kruissnelheid op weg terug naar hun jongen die ongeduldig in de crèches staan te wachten op vers voedsel. Schurend door het floes banen we ons bijna twee uren een weg naar het verzamelpunt. Vlakbij implodeert een ijsberg met een luide knal.
17u45 - Kajakpak uit – reken toch tien minuten – vlug een kop thee en daar staan we al weer in de rij voor de volgende landing. Dit keer op Danco Eiland (64° 44’ Zuid – 62° 36’ West) genoemd naar Emile Danco, de Gerlache’s geofysicus die tijdens de expeditie aan een hartkwaal overleed. Een vluggertje, want we moet op tijd terug zijn voor de … barbecue op dek 5. Net voldoende tijd voor de groepsfoto.
Iets verder volgen de ezelpinguïns onverstoord hun eigen E40. Onvermoeid van het nest op de top naar de zee … en terug. “Waarom maken ze het zichzelf toch zo moeilijk door zo hoog te nesten?” vraag ik Serena. “Eenvoudig: de hoogste plek komt het eerst sneeuwvrij in de lente. Ideaal voor vroege nestmakers.” Een kolonie ezelspinguïns kent een ingenieuze plattegrond van zijpaden en een hoofdverkeersader. Tijdens de piek van het broedseizoen waggelen de pinguïns in file tussen de kustlijn en het eigen nest. Het is een micromaatschappij waarin kibbelende, vechtende en vretende paartjes hun kroost – meestal twee kuikens – proberen groot te brengen. De zwart-witte kabouters zijn schattig, koddig, soms agressief en eeuwige twijfelaars: ‘ga ik nu links, rechts of blijf ik staan?’
20u00 - Barbecue op het achterdek, omringd door bergen, gletsjers en de ondergaande zon. Uniek en surrealistisch tegelijk. Het geluk zit in kleine dingen.
22u15 - Boven de bergkam verschijnt een gloedoranje maan. “Dat voorspelt een winderige dag morgen”, weet Alex van de receptie uit ervaring.
Dag 6
Straks komt een team van Port Lockroy aan boord – we mogen niet zelf aan land, vogelgriep herinner je – het enige postkantoor op Antarctica die naam waardig. Om 07u30 zitten we al in de zodiac voor een uurtje sightseeing rond het rotseilandje Goudier en vlakbij Jougla Point. De wind snijdt en de ijsregen geselt onze gezichten. Een Weddelzeehond lokt ons zingend naar de rots waarop hij/zij(?) ochtendsiesta neemt. Enkele meters verder van de zodiac komt een zeeluipaard nieuwsgierig boven piepen om even plotseling weer weg te duiken.
Terug aan boord van Sea Spirit steelt Bridie, ‘base leader’ van de Britse basis Port Lockroy, de show … en onze harten. De vroedvrouw die een sabbatsjaartje neemt, werd uit meer dan 600 kandidaten geselecteerd. “Die niet waagt, die niet wint.” Ook ‘postmaster’ Laura komt met plezier aan boord om de geschiedenis van de Britse hotspot in Antarctica toe te lichten … en een verkwikkende douche te nemen. Dit jaar entertaint haar vijfkoppig team gemakkelijk 20.000 toeristen tijdens de vijf ‘zachte’ maanden van het jaar en vallen er meer dan 90.000 manueel afgestempelde postkaartjes in hun knalrode brievenbus ‘Warme groetjes uit koude oorden’. “Drie weken, drie maanden, drie jaar … later tuimelen ze thuis op de mat.”
Het schiereiland Goudier was ooit een veilige haven voor walvisjagers, Britse spionnen en wetenschappers. Vandaag is het een uitstalraam voor de UK Antarctic Heritage Trust dat het Britse erfgoed op het Antarctisch schiereiland voor verder verval behoedt. En er een postkantoor, dito souvenirshop uitbaat. Die wordt voor de gelegenheid verhuisd naar de bibliotheek van ons schip – waar een wil is, is een weg. Port Lockroy (64° 49’ Zuid - 63° 31’ West) viert dit jaar zijn 80ste verjaardag, maar werd 120 jaar geleden al (19 februari 1904) ontdekt door de Franse poolavonturier Jean Charcot met zijn expeditieschip Français. Hij gaf de ‘haven’ de naam van een van zijn sponsors, de Franse politcus Etienne-Auguste-Edouard Lockroy. Toen stond er nog geen knalrode brievenbus. De locatie voor de uit de kluiten gewassen hut is trouwens niet lukraak gekozen. “Het eilandje ligt goed beschut en wordt beschermd door een microklimaat waardoor het driestromenkanaal minder snel dichtvriest”, legt Bridie uit. “Waarom de Britse militairen hier in 1944 een station bouwden? De Argentijnen claimen land door er kindjes te maken – liefde als pasmunt voor territorium –, de Chilenen zetten een hotel en wij baten een postkantoor uit.” Yan duwt me een lading enveloppen in de handen. “Van verwoede stempelverzamelaars en poolfanaten”, legt hij uit. Of ik ze wil signeren en in de Britse brievenbus proppen. Deal!
Met Antwerpen Eiland aan stuurboord – gekend voor zijn hoogste piek op Antarctisch Schiereiland, Mount Français, 2.825 meter (dank je wel Ann) – stomen we naar Lemaire Kanaal. “Het lijkt ’a piece of cake’ maar de doorgang is telkens weer een dubbeltje op zijn kant", fluistert kapitein Oleg. "Afkalvend gletsjerijs in combinatie met wispelturige winden kan de doorgang in een vingerknip blokkeren. Tientallen keren al stond ik hier voor een gesloten poort."
Maar dan kennen ze Oleg nog niet. Vandaag manoeuvreert hij ons behoedzaam door het mijnenveld van ijsbergen- en schotsen. Maximumsnelheid: 7,5 knopen (12 km/u). De place to be in Antarctica, ook wel Kodak Gap genoemd, is ’maar’ 1.600 meter breed en goed voor 11 kilometer water tussen Booth Eiland en het vasteland. Aan bakboord torent Kaap Renard als een baken boven alles uit, tot de wolken oplossen en de tweelingpiek ’Una Peaks’ onthullen. De andesieten rotspartijen zijn genoemd naar Una Spivey, een jonge secretaresse die in de jaren 50 werkte voor wat nu de British Antarctic Survey is, het instituut dat de ’Britse’ Antarctische gebieden in kaart bracht. De uitsluitend uit mannen bestaande veldpatrouilles waren tot twee jaar lang op missie en lieten hun verbeelding de vrije loop toen ze in 1956 de rotspieken omdoopten tot Una’s Tits. Een half uur lang trotseren we op de boeg 30 knopen windsnelheid bij een gevoelstemperatuur van -10°C.
Halen we Akademik Vernadsky Station (65° 15’ Zuid – 64° 16’ West)? Ik luistervink wanneer Oleg Vernadsky Station oproept via de radio. YES! Vernadsky is een ‘go’. Dankzij zijn diplomatische skills mogen we dit jaar als enige het station bezoeken. Ik vertrek met de tweede groep naar Galindez Eiland. De immense brandstofsilo bloklettert Vernadsky, met de ‘V’ van … ‘vrede’, ‘victory’? Of Vadym, de bioloog en gids van dienst die ons de werkvertrekken laat verkennen, van de ziekenboeg en gym, over de ruimtes van de verschillende wetenschappelijke disciplines tot de radiokamer en de seismologieruimte, waar de allereerste op Antarctica ineengeknutselde piano staat – ruw geschat 60 cm breed, 30 diep en 20 hoog. “Hier werd in 1985 ook het gat in de ozonlaag ontdekt. Door de Britten weliswaar, maar wij zetten sinds 1996 hun waarnemingen verder.” Wat Vadym het hardst mist? “Tomaten … of toch niet, mijn vrouw” , herstelt hij zich vlug. Hilariteit alom.
Elke wand hangt vol iconische en historische foto’s van heroïsche expedities en beroemde en beruchte bezoekers. Om een lang historisch verhaal heel kort te maken:
1954: Britten verhuizen van Winter Eiland naar Galindez Eiland.
Keith ‘Cat’ Carott bestelt een lading hout voor een nieuwe pier, maar bouwt in plaats daarvan een Britse pub.
Trouwens, wij zijn de eerste gasten in vier jaar tijd. Bij de naambordjes herken ik Bogdan, de geofysicus die mij in 2018 het station liet ontdekken, vandaag de basiscommandant. “Tien mannen – dit seizoen raakten er geen vrouwen door de selectie – werken hier van april tot april, 24/7. Momenteel zijn er ook 14 wetenschappers actief.” De oorlog weegt zwaar op het moreel. Ook Bogdan werd aanvankelijk gemobiliseerd. Pas later mocht hij naar Vernadsky, voor zijn tiende seizoen. “Contact met mijn vrouw, ouders, broer … is er nauwelijks.” Na een shotje wodka (Vernadsky’s eigen brouwsel) op de gezondheid van Rik, is het amper zeven minuutjes met de zodiac terug naar Sea Spirit.
Dag 7
Het is zo goed als windstil wanneer de kapitein de motoren ‘ralenti’ laat draaien, de boeg richting Petermann Eiland (65° 10’ Zuid – 64° 10’ West). Ik zit amper in de kajak samen met Lutgard als we vlakbij de ‘blow’ horen van een Antarctische dwergvinvis die wegduikt. Met vlakbij bedoel ik hooguit drie meter! Onze kajakmasters, nog volop in de weer met het vastsjorren van de collega-kajakkers, geloven ons verhaal ternauwernood. Gelukkig zijn er getuigen op de Sea Spirit. Straks gaan we op zoek naar de dubbele ‘P’ die de Franse poolavonturier, Jean-Baptist Charcot, hier in 1909 in de rotsen graveerde, de initialen van zijn schip de Pourquoi Pas? Zijn expeditie meerde de ‘PP’ hier af in het natuurlijke haventje (Port Circumcision, genoemd naar de Lutherse feestdag op 1 januari ter herdenking van de besnijdenis van Jezus), en sloot de baai met kettingen af om het ijsvrij te houden, en het schip veilig. Boven op de heuvel (Megalestris Hill) bouwde Charcot een cairn of steenhoop met een gedenkplaat ter nagedachtenis van zijn expeditie. Wie goed leest – wij mogen er helaas niet bij, want de cairn staat midden een kolonie ezelpinguïns) vindt de naam van de eerste Belg, een Gentenaar, die hier overwinterde in Antarctica.
Dat weetje heb ik van Jozef Verlinden, de biograaf van Adrien de Gerlache. Hij mailde mij voor ons vertrek zijn verhaal over Petermann. In 2003 bezocht hij het eiland met een internationaal team. “Groot was de consternatie bij de Fransen toen de Duitsers er een grote Duitse vlag plantten en de landing uitbundig vierden. In colère vroeg een Fransman met welk recht ze zich een door Charcot ontdekt eiland konden toe-eigenen? Ik vertelde dat het eiland al in de zomer van 1873-74 op de kaart werd gezet door de Duitser Dallmann die het noemde naar zijn landgenoot, de geograaf August Petermann. De Fransman kalmeerde.”
Adrien de Gerlache dacht trouwens ook verkeerdelijk dat hij het eiland als eerste had ontdekt, en doopte het Lund Eiland. Maar de US-ACAN (United States Advisory Committee on Antarctic Names) verwierp de naam ten voordele van het originele Petermann.
Na deze tsunami historische weetjes zou ik nog vergeten dat we op Petermann onze eerste Adélie-pinguïns spotten, wij vanuit de kajaks, de anderen op land. Je herkent ze aan hun pikzwarte kop en witte oogrand. “Eens voldoende aangesterkt laten de jongen zich op het einde van het seizoen (eind maart, begin april) op ijsschotsen meedrijven naar open water om daar volwassen te worden”, vertelt Yan. Na vier jaar keren ze terug om te paren. Petermann is ook de meest zuidelijke plaats waar de ezelspinguïns gedijen. Trouwens, vroeger lag het eiland zo goed als volledig onder het ijs. Vandaag domineren blote rotsen en migreren zelfs de Adélie-pinguïns – de ondeugende favorieten van Yixing, een van onze twee Chinese gidsen – “omdat het er te warm wordt onder hun poten. Een nog sterker bewijs voor de klimaatverandering vind je moeilijk.”
Terwijl we rond het eiland peddelen, botsen we bijna letterlijk op een zonnend zeeluipaard, Antarctische aalscholvers die tot tegen de kajak zwemmen en een flink uit de kluiten gewassen koppel Weddellzeehonden. Allemaal laten ze zich met plezier van hun beste kant kieken. Een geluk dat analoge filmrolletjes uit de mode zijn … ik zou ze niet willen betalen. Aan de horizon, tegen een dreigend grijze lucht, paradeert een stoet ijsmastodonten: kathedralen, dierensculpturen, flatgebouwen en draken … onze fantasie kent geen grenzen. Trouwens, nog een weetje dat ik niet wist: het gezang van de Weddellzeehond werd gebruikt als taalklank voor de Ewoks uit Star Wars. Dank je wel Hilde, die het op haar beurt heeft van Sergey.
We verlaten onze meest zuidelijke landing en snijden opnieuw door Lemaire Kanaal, zij het nu in omgekeerde richting. Een vrieszonnetje priemt af en toe door het lage wolkendek. Tijd voor Truant Eiland. Een ijskoepel van 86 meter hoog. Truant betekent zoveel als spijbelen, niksen en chillen. Ik zoek, zoek en vind nergens meer informatie over het eilandje. Dat hoeft ook niet. Ik ploeter me een weg door de diepe sneeuw naar de top en na mij nog tientallen rode parka’s. “Dit is de highway van de nieuwe pinguïnsoort, de Pygoscelis Asterius, die we in 2016 hebben ontdekt”, weet Claude. “Je herkent ze direct aan hun rode verendek.” Eenmaal op de top van de ijstaart kun je alleen maar 360° genieten van het niet in een foto te vatten landschap: bergen, gletsjers en ijsbergen. Vijf pelsrobben op de rotsen en miljoenen vlo-kreeftjes in het water. Het sneeuwgevecht op de top levert alleen maar winnaars op.
Om de namiddag af te sluiten, nodigt Miriam iedereen uit voor een poolduik of ‘polar plunge’ vanop de gangway (de trap langs de wand van het schip). 12 ijsberen wagen hun kans, veilig vastgesnoerd aan een levenslijn, duiken ze in de donkere diepte van hooguit 1°C. Griet: “Wo zien ‘kik nu potverdomme wére a begost?” Lisa, Emma en Lena jutten elkaar zelfs op voor een tweede duik.
Applaus en een shotje wodka om de bibber door te spoelen
Dag 08
Vannacht rond 3 uur rolden we Drake Passage binnen. ‘Nu al?’, hoor ik je denken. Gisteren werd bekend dat de Argentijnse vliegtuigpiloten en alle grondpersoneel van plan zijn om volgende woensdag te staken. Willen we onze vlucht naar Buenos Aires en aansluiting naar Madrid niet missen, moeten we de terugreis helemaal reorganiseren. Hoe en of dat zal lukken, is vandaag, zondag, nog koffiedik kijken.
Drake houdt zich relatief rustig. Een windsnelheid van 30 knopen stuwt de golven tot zo’n 3 meter. Ik riskeer een experimentje en neem geen pillekes of pleisters tegen zeeziekte. Afwachten wat dat zal geven. Aan de schaars bezette ontbijttafel schuift Yan me een lijstje door met de vogels die ik nog moet aanvinken als ’gespot’, een magere buit: grauwe pijlstormvogel en de Kaapse stormvogel. De laatste voorspelt weinig goeds …
Terwijl Annick en Charlotte alles op alles zetten om nieuws te sprokkelen en de nieuwe reispuzzel te leggen, wordt de volle dag varen gevuld met lezingen. Yan neemt de aftrap met een lezing over Edward ‘Bill’ Wilson en de Adélie-pinguïn.
Net voor Yans verhaal start gaat een groepje ‘Duskydolfijnen’ met de show lopen. Een poos volgen we hun capriolen aan bakboord. Terug naar Yan. Wilson was een vertrouweling van Robert Falcon Scott, was arts, natuurkenner en kunstenaar. Wilson tekende wat hij zag en vond met een wetenschappelijke accuraatheid. Hij stierf tijdens de expeditie van Scott naar de geografische Zuidpool in 1912. Deel twee over de Adélie-pinguins – met miljoenen paren vertoeven ze hier – haal ik niet (sorry Yan).
Dag 09
Terwijl de monding van het Beagle Kanaal dichterbij sluipt, vullen we de uren met het terugbrengen van de laarzen, de kajakuitrusting en … lezingen. François is nog altijd onder de indruk van zijn kajakervaring en de close encounter met het zeeluipaard. “Zo dicht op het water peddelen door een labyrint van ijsbergen, wat wil een mens nog meer?”
Serena gunt ons een blik in het leven en laten leven van de pinguïns – vogels die evolueerden tot onderwatertorpedo’s –, terwijl Miriam zich over de zeehonden en walvissen buigt. Intussen herwon Drake zijn kalmte (een zeespiegel bijna zo plat als onze visvijver) en bevind ik me opnieuw onder de levenden aan boord. Frank en Yixing eindigen de reeks vertellingen met het ernstige werk: ‘Climate change and extreme events’.
Al loopt ons Zuidpoolavontuur op zijn laatste benen, toch is de zak vol verrassingen nog niet leeg. Nadat Annick de bemanning ‘omkocht’ met pakken chocolade en haar publiek verwende met originele ‘patches’, ‘buff’, pinguïnknuffel en pin kan ze fier aankondigen dat passagier Henk een stuk verteltheater brengt. Een monoloog over het avontuur van de Belgica-expeditie 1897-1898 door de ogen van lichtmatroos Jan Van Mirlo, de enige Antwerpenaar aan boord – van de Belgica welteverstaan.
Van verrassingen gesproken. Na ruim 50 jaar vinden de jeugdvrienden Théo en Marc elkaar hier terug aan boord. Puur toeval, want ze hadden elkaar niet herkend “Toen waren we nog jong en gespierd, nu alleen nog gespierd”. Een goed gesprek aan tafel bracht elkaars verleden weer samen tijdens de doortocht in Lemaire Kanaal. Zo zie je maar: “Een schipbreuk is geen breuk”, aldus de wijze woorden van een wijs man, Frank.
De toon is gezet voor onze fotowedstrijd. Opnieuw een volle zaal. Uit de 30 genomineerde inzendingen (10 per categorie) kiezen de passagiers de beste kiekjes in vier categorieën: fauna & flora, landschap, mensen en ’buiten categorie’. En de stem van het publiek ging naar: Ben (mensen), Stéphanie (landschap), Wim (fauna en flora) en Koen - geïnspireerd door Iris (buiten categorie). De prijs van de jury nam Wim in ontvangst samen met een door Lilliane gehaakte knuffel. Eeuwige roem en een daverend applaus. Ook voor de hele bemanning en expeditiestaf van de MV Sea Spirit. Op ’the captains farewell cocktail’ klinken we op de uitstekende afloop van de reis. Tijd voor een pak hartelijke woorden van dank voor de bemanning en het expeditieteam. Kapitein Oleg: "Wat we presteerden was buitengewoon. Zelfs voor mij. Ik ben dan ook bijzonder trots dat we als één familie plekken hebben bereikt waarvan andere tochten alleen maar kunnen dromen. Wees daar bewust van!" To slot overhandigt Annick de officiële expeditievlag aan Hélène.
21u00 - Ietsje vroeger dan gepland bereikt Sea Spirit de beschutting van het Beagle Kanaal (55° 03’ Zuid - 66° 34’ West). Niet zo heel ver hier vandaan, bij Harberton, liep de Belgica in 1898 vast op een rif. Met behulp van Lucas Bridges, de zoon van een lokale dominee en twee Ona-indianen, werd de lading kolen overgeladen op sloepen om het schip lichter te maken. Maar een opkomende storm maakte de situatie uitzichtloos. De Belgica leek verloren. Tweede in bevel, Lecointe hees de Belgische vlag als laatste eerbetoon. Maar de Gerlache zette door en kreeg het schip op de valreep weer vlot. De verslagenheid sloeg om in euforie.
Tijd voor een feestje, moeten ze ook op de Sea Spirit hebben gedacht. De bemanning, van machinekamer over hotel/restaurant tot bar en schoonmaak trakteren ons op een ‘crewshow’ met karaokezang en traditionele Fillippijnse folkloredansen. Klap op de vuurpijl: YMCA van Village People waarbij ze iedereen in de zaal meekregen in een polonaise. Een laatste borrel – Miriam kreeg nog wat flessen wodka (eigen brouwsel) mee van Vernardsky Station - op dek 5 maakt de dag compleet.
Nog een korte nacht en we verlaten het schip. Morgenochtend is het dinsdag 27 februari.

