In september 2025 zette Asteria Expeditions koers naar South Georgia met de Falklandeilanden als tussenstop (nog zo’n gebied waar vogelaars, natuurliefhebbers en avonturiers op kicken). 17 dagen eindeloos weg van de bewoonde wereld. Het werden volle dagen, want op onze tocht lieten we geen kans onbenut om het land te verkennen in de voetsporen van walvisvaarders, veroveraars, settlers en poolontdekkers, de legendarische Ernest Shackleton voorop. Hieronder lees je ons reisverslag.
Tekst: Johan Van Praet
Foto & video: Misjel Decleer en Didier Lammens
In 1946 beschreef de Schotse auteur Niall Rankin South Georgia als ‘een deel van Zwitserland, door een reus uitgehakt en speels zo ver mogelijk weggesmeten. Een laatste rustplaats van duizenden walvissen en robben’. Vandaag wordt de kleinste bergketen ter wereld opnieuw bevolkt door honderdduizenden pinguïns, zeeolifanten en pelsrobben. En is het een broedplaats en veilige haven voor ontelbare vogelsoorten, met de albatros en koningspinguïn als iconen.
Dag 1 & 2
Als onze reisexpeditie even avontuurlijk wordt als de hindernissentocht die sommigen onder ons moesten ondernemen om tot in Punta Arenas te geraken, dan is het woord ‘expeditie’ hier zeker op zijn plaats. Uit alle hoeken duiken we gezond en wel op. Sommigen genoten al enkele dagen van Santiago, anderen verkenden met Yan, de natuurfotograaf van ons Asteriateam, het nationaal park Torres del Paine, enkelen vlogen in met een andere luchtvaartmaatschappij, nog anderen … Maar het gros van de groep doorstond in één ruk 14.238 km of 31,5 uren reisroute. South Georgia ontdekken is niet voor watjes. Uiteindelijk zullen we, afhankelijk van de wispelturige weergoden, wel tot vijf dagen onderweg zijn vooraleer we voet op Zuid-Georgiaanse grond kunnen zetten.
Maar eerst nog even Punta Arenas. De naam is afgeleid van het Spaanse ‘Punta Arenosa’ en betekent zoveel als ‘Zanderige Punt’, lees ik in mijn documentatie terwijl de bus gezapig naar ons hotel in het centrum bolt. Het is nog geen middernacht als ik wil gaan slapen. Met de nadruk op wil, want Yan duwt me nog vlug een stapel enveloppen in de hand. “Van een vriend filatelist. Wil je die laten afstempelen op de Falklands en South Georgia?” Yan moet zelf helaas onverwacht terug naar België. Misjel neemt zijn taak als fotograaf over. Postzegels en filatelie zijn trouwens een belangrijke bron van inkomsten voor de Falklands. Vooral sinds de oorlog tussen Argentinië en het Verenigd Koninkrijk in 1982 zijn poststempels bijzonder gegeerd bij verzamelaars.
Het is 7u30 in de (volgende) ochtend. Ik sta op het lege Plaza de Armas. Op aanraden van Paul wrijf ik over de glanzende tenen van de bronzen Patagonische native die de sokkel siert van het heldenbeeld van de Portugese ontdekkingsreiziger Hernando de Magallanes. Ze voelen ijskoud. Maar wie niet wrijft, riskeert ongeluk. Het heeft sowieso nog heel wat voeten in de aarde vooraleer de bijna tweehonderd stukken bagage naar het schip MV Magellan Explorer zijn gebracht.
Luttele uren later staan we zelf aan de kade van de op twee na grootste stad van Patagonië. Punta Arenas is na Ushuaia (Argentinië) de meest zuidelijke stad van het Zuid-Amerikaanse vasteland. Een havenstad met karakter en berucht voor zijn niet aflatende gure wind, zo typisch voor Patagonië. “Waarom inschepen in Ushuaia richting de Falklands geen optie was?” Op 26 maart 1982 gaf de militaire junta in Argentinië het bevel tot de invasie van de eilanden. Een beslissing die leidde tot de voorspelbare nederlaag. Op 20 juni al riepen de Britten het einde van de oorlog uit. Maar de brokken tussen Argentinië en het VK zijn tot op vandaag nog altijd niet gelijmd. ‘Las Malvinas son Argentinas!’ las ik in 2023 nog op een billboard in Ushuaia. Boodschap begrepen.
17u31 gooit MV Magellan Explorer de trossen los en varen we de Straat van Magellaan op. Het is stralend weer en de eerste zuidelijke reuzenstormvogel laat zich schieten – op foto, wat had je gedacht? Tot de opening van het Panamakanaal in 1904 was de 565 kilometer lange zee-engte de belangrijkste maritieme doorvaart tussen de Atlantische en Stille Oceaan. Vandaag wint de oude zeeweg weer aan populariteit dankzij de groeiende interesse van de VS en China voor Patagonië.
Nadat de kajuiten zijn verkend, maakt expeditieleider David Berg ons wegwijs op het schip en overloopt hij de spel- en (bovenal) veiligheidsregels. Storm, noch orkaan vormen het grootste gevaar voor het schip. "Brand is de grote boosdoener", legt de Zweedse glacioloog en geoloog uit. "Niemand kan immers ontsnappen van het schip." Tijdens de verplichte veiligheids- en evacuatiedrill schuift iedereen gedisciplineerd en met feloranje reddingsvest in rijen naar een toegewezen dek, aan bak- of stuurboord. Eén langgerekte hoorn betekent ’abandon ship’. ’t Is maar dat je het weet.
Het is al één na middernacht als de twee Chileense loodsen van het schip worden geplukt, het signaal dat we de Straat van Magellaan verlaten. Nog zo’n 300 zeemijl (een mijl is 1,852 km) tot de westkust van de Falklandeilanden. De meteo voorspelt vrij rustig weer. “Naarmate we vorderen zal de wind aanzwellen, maar morgen houden we het nog kalm”, probeert David me gerust te stellen. Ik neem geen enkel risico en slik mijn eerste 25 mg Stugeron.
Dag 3
“Dus dit is nog een rustige zee”, fronst Alain. Een stormachtige wind van 8 beaufort – zo’n 70 km/uur – zwiept de golven op tot twee meter hoog. Wie geen zeewaterdouche wil, neemt best op het achterdek positie om de eerste albatrossen te spotten. Het is +5°C maar de noorderwind laat die tien graden kouder aanvoelen. Met een snelheid van 13 knopen (om en bij 24 km/u) probeert de kapitein het stormweer achter ons voor te blijven. Nog 240 mijl vooraleer we morgenochtend vroeg de westkust van de Falklandeilanden bereiken.
Tijdens de eerste recap (wat-hebben-we-vandaag-gedaan-en-wat-staat-er-morgen-op-het programma?) gisterenavond was onze veiligheid de grootste bezorgdheid van expeditieleider David. “Binnen tellen de scheepsgangen honderden meters reling om je aan vast te houden. Gebruik ze! En grijp een deur altijd vast bij de klink, nooit aan de rand. Door een bruuske rol van het schip kan ze plots dichtklappen. We hebben dan wel dokter Iryna (Oekraïne) aan boord, maar haar kabinet is onvoldoende uitgerust om vingers opnieuw aan te naaien.”
Wat doet een mens om de dagen op volle zee zinvol in te vullen – behalve vogels en zeedieren spotten uiteraard? De helft ligt misselijk in bed leid ik af uit de onbezette plaatsen tijdens het ontbijt. De andere helft volgt de lezing van geograaf Pablo over hoe de continenten miljoenen jaren geleden uit elkaar dreven en in de toekomst ooit weer naar elkaar toe zullen driften. En van de Britse historicus Tennessee Blackmore – zijn vertelstem doe zijn naam eer aan – die als een volleerd Shackleton-imitator (later meer over die andere poolheld) vijf eeuwen geschiedenis van de Falklands samenbalt in 49 minuten. Ik probeer het in één zin: sinds de waarschijnlijke ontdekking door de Yamana-indianen over de eerste landing door kapitein John Strong in 1690 tot de Falklandoorlog in 1982 en daarna sloegen en slaan Fransen, Spanjaarden, Argentijnen en Britten elkaar met claims rond de oren. Nog korter? Van de eerste 12 schapen die werden ingevoerd in 1843 tot de 504.620 exemplaren vandaag.
Het zal de wenkbrauwalbatrossen, Zuidelijke reuzenstormvogels en de Kaapse stormvogels worst wezen. Ze zweven sierlijk langszij. Bioloog John leert ons de verschillende soorten onderscheiden. De vogelaars aan boord speuren naar details. Ik vind ze vooral majestueus. Sommige albatrossen blijven jaren op zee en leggen in een etmaal soms tot 2.000 km af.
David glundert. Geen woeste zee en dus het moment bij uitstek om briefings te organiseren. Hoe we zonder heksentoeren in en uit een zodiac stappen bijvoorbeeld. Hoe we onze laarzen voor en na elke landing desinfecteren. Hoe dicht we pinguïns, pelsrobben, zeeleeuwen, … mogen naderen of omgekeerd – vijf meter is een minimum. Iedereen in Davids internationaal team, van doorgewinterde bioloog en zoöloog over historicus en geoloog/glacioloog tot bio-ingenieur en fotograaf, krijgt een taak en rol. “Landen op South Georgia betekent negen op de tien keer nat worden. Door de deining en golfslag wijst de neus van de zodiac immers in de golven en niet naar het land.”
Landen op South Georgia doe je trouwens niet zomaar. Je respecteert de strenge IAATO-gedragscode. In mensentaal: ’Houd de eilanden puur’. Daarom desinfecteren we onze laarzen en zuiveren we al onze buitenkledij vooraf met stofzuigers. Dat moet voorkomen dat uitheemse flora (zaden of sporen verstopt in de naden of op de velcro van jassen en rugzakken) het fragiele evenwicht tussen de plantensoorten verstoren. De ecologische balans in het gebied is zo kwetsbaar dat je niets achterlaat. Alleen foto’s en herinneringen neem je terug mee aan boord. Benieuwd wat ik morgen kan meenemen van The Neck.
Dag 4
Ik schrik wakker van keihard metalen geratel net onder mijn kajuit – schat ik. Het is halftwee ‘s nachts. En besef dat het anker wordt gedropt (51° 18’ Zuid - 60° 15’ West). “Vier schakels in het water aan bakboord, 18 meter diep”, legt de veiligheidsofficier Erdogan (Roemenië) mij de volgende ochtend uit. “We proberen het schip straks ietwat dichter bij de kust te brengen, maar veel zal dat niet worden, het water in de baai is ondiep.” Een schakel is een oude meeteenheid, goed voor 27,4 meter. Het gewicht van de ketting is belangrijker dan dat van het anker om het schip op zijn plaats te houden. Het anker zelf dient vooral om vast te haken aan de bodem. De boeg van Magellan Explorer wijst naar de smalle zandstrook die twee heuvels van Saunders Eiland met elkaar verbindt. Welkom op … The Neck.
Bij windkracht 5 – een briesje op Falklands – en 7°C valt de landing best mee. Geen water in de laarzen, wel in de zodiac. Met de wind in de neus ruik ik de ezelpinguïns die hier tussen de schapen in kolonie houden. David Pole-Evans (67) en zijn zus Biffo zijn de achtste generatie ‘farmers’ (aan moederszijde) en hebben er hier zo’n 5.000 rondlopen – schapen welteverstaan. De herdershond Roo heeft zijn werk. “Jullie zijn het eerste schip dit seizoen.” In de laadruimte van hun Land Rover stalt Biffo petjes, pathjes, pins, bundels wol … uit. “Elke extra dollar is hier mooi meegenomen.” Ik weersta de lokroep en volg het pad naar omhoog, richting de kolonie wenkbrauwalbatrossen bij de klif. Na zo’n vijf jaar zwerven over de oceaan zijn ze geslachtsrijp en vormen ze koppeltjes voor het leven. “Elk jaar vinden ze, dankzij een ongelofelijk oriëntatievermogen, hun met mos, veren en modder gebouwde persoonlijke nestsokkel terug”, legt Francesco uit. “De sokkel isoleert en voorkomt dat smeltwater de eieren wegspoelt.”
Onderweg tussen de zeekool bots ik bijna letterlijk op groepjes konings- en magelhaenpinguïns. Of ze even gebiologeerd naar ons kijken als wij naar hen, weet ik niet. Wel dat zij zich niet aan de vijf meter afstand houden die wij moeten respecteren. Net als bij de Falklandcaracara die zich niet laat opschrikken door de soms enorme cameralenzen die we op hem richten. Het begint harder te regenen en ik neem de zodiac terug – het lijkt wel alsof ik de bus neem. Ik ben amper uit mijn ‘laagjes’ of een groepje kortsnuitdolfijnen komt onze eerste landing uitzwaaien. Wat wil een mens meer …?
… Een tweede landing. De kapitein maneuvreert het schip binnen een windluwe baai bij West Point Eiland, de noordwestelijke tip van West-Falkland (51° 21’ 05” Zuid - 60° 40’ 77” West). Gescheiden van het vasteland door de zee-engte Woolly Gut. Terwijl we wachten op de zodiac vertelt Noël mij het verhaal van de Narwal, de Zeebrugse trawler Z.565, die hier eind jaren 70 kwam vissen, door de Argentijnse marine werd opgeëist en in 1982 door de Britse troepen werd gebombardeerd en geënterd, verdacht van spionage.
Of je stapt in de Land Rover Defender die je naar boven hotst en botst, of je wandelt de 2,5 kilometer tot bij de wenkbrouwalbatrossen die beschut in het pollengras nesten bij Devil’s Nose. Het pad naar de klif slingert zo dicht bij de vogels dat je nauwelijks je arm moet strekken om ze aan te raken – wat we uiteraard niet doen. Uitzonderlijk! Zelfs de (zeldzame) niet-vogelaars zijn onder de indruk. David, schaapscheerder van beroep, brengt me met de Land Rover terug naar de nederzetting waar zijn vriendin Naima ons trakteert op koffie en thee met een selectie gebak uit de eigen oven. De wind wil niet vallen, maar de zon is volop van de partij. Ook uitzonderlijk!
Tijdens de recap zoomt Kirsty in op enkele inheemse planten, zoals zeekool en gaspeldoorn die we waarschijnlijk misten omdat we zo focusten op alles met poten en vleugels. En probeert Laura de geologische roots van de Falklands te verklaren. Omstreeks 18u00 licht de kapitein het anker en stomen we via (opnieuw) ruwe zee richting Stanley Harbour, de ’hoofdstad’ van de archipel. Tijd om mijn stapel enveloppen op de post te doen.
Dag 5
‘… of all the miserable bog holes, I believe that Mr Moody has selected one of the worst for the site for his town.’ Dat telt als statement. Richard Moody was de eerste Britse gouverneur van de Falklandeilanden en legde op 18 juli 1845 de laatste steen van de hoofdstad Port Stanley. En een haven om u tegen te zeggen. Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw was het zelfs een van de drukste havens ter wereld. Veel schepen moesten hier tijdens de Californische goldrush noodgedwongen aanmeren om de averij die ze opliepen bij het keren bij Kaap Hoorn te laten repareren. De een zijn brood …
Ook wij krijgen vandaag hoog bezoek. Meer zelfs, de huidige gezant van South Georgia en gouverneur van de Falklands en de CEO of the Government of South Georgia and the South Sandwich Islands krijgen van ons een lift – altijd meegenomen – tot in Grytviken, hun standplaats in South Georgia tijdens het zomerseizoen. Terwijl zij hun bagage schikken – dat denk ik toch – bezoeken wij de kleinste hoofdstad ter wereld. Stanley ligt op Oost-Falkland (51° 41’ 59” Zuid - 57° 51’ 00” West) en heeft het elan van een doorsnee Engels dorp. Met een inwonersaantal dat volgens ramingen nooit boven de 4.000 klom, pronkt het toch met een gouvernementsgebouw en een kathedraal, met aparte speelhoek voor de kleuters die zich moeilijk stil kunnen houden tijdens de misviering. Ik volg de hoofdweg, Ross Road, en wordt omver geblazen door de joekel van een scheepsmast op Stanley’s Victory Green. Het gevaarte brak af tijdens een poging om het beruchte scheepswrak van de SS Great Britain te bergen.
Dat eeuwige Falklandbriesje (kracht 5 vandaag) geselt mijn gezicht … stel je voor dat het regent. Maar dat doet het gelukkig niet. De hemel is helderblauw en de zon voelt lekker warm. Dus stap ik samen met Stefan stevig door tot het Historic Dockyard Museum waar we door enkele eeuwen unieke eilandengeschiedenis en ‘het leven zoals het was’ dwalen, geïllustreerd met authentieke stukken huisgerei, prullaria, skeletten, scheepsmodellen en -uitrusting … We voelen er zelfs hoe zacht en warm de gestroopte huiden zijn van een pelsrob en Magelhaenpinguïn. De oorlog, en in het bijzonder de 74-dagen durende Falklandoorlog die in 1982 het leven kostte aan bijna duizend soldaten en drie burgers krijgt een aparte zaal.
Van het museum gaat het richting West Store Supermarket. “Helemaal achteraan in de winkel, rechterhoek. Daar vind je de gin. Niet die met zeewier!” Yans instructies zijn duidelijk. Ik koop hem een fles van zijn geliefde Tumbledown Falkland Islands Gin. Tijd om mijn stapel enveloppen te laten afstempelen in het postkantoor waar twee typisch Londense telefooncellen de ingang flankeren. De lijnen zijn niet dood. Vooral in afgelegen gebieden bieden analoge connecties nog altijd de beste stabiliteit. Hier zijn postzegels trouwens zo gegeerd dat het postkantoor een aparte ruimte inrichtte voor filatelisten. De muren zijn behangen met speciale – zeldzame – uitgaven.
Bij het uitvaren van de Stanley Narrows wakkert de wind nog aan. Langzaam verdwijnt de vuurtoren van Cape Pembroke op de kop van het oostelijke schiereiland uit het zicht. We hebben twee tot drie dagen varen voor de boeg, of zo’n 740 mijl vooraleer we South Georgia bereiken. Tijd voor een rist lezingen. Intussen voorspelt de meteo zacht weer – lees: golven van hooguit drie meter – en wind in de rug. Maar niets is zeker in dit gebied. Afwachten wat morgen brengt.
Dag 6
Ik durf nog altijd verdwalen op het schip. Hoe vaak bots ik niet op een deur ‘crew only’. Maar de weg naar het ontbijt kan niet makkelijker, 30 meter rechtdoor. Ondanks windkracht 7 (harde wind tot 60 km/u) zijn zowat alle plaatsen bezet. De pillen doen hun werk. Straks is het kaartjestijd, maar eerst verhaalt historicus Tennessee over hoe de ambitie van Sir Ernest Henry Shackleton (47) vlam vat. De in Ierland geboren iconische poolverkenner die in 1916 zijn eigen leven riskeerde om zijn bemanning te redden die hij noodgedwongen op Antarctica moest achterlaten. In ‘Pray for Shackleton – (deel 1) The man’ rijgt Tennessee een berg feiten en data aan elkaar. En hoe … Al even gepassioneerd als de held zelf en met zoveel overtuiging, energie en humor dat je zelfs geen tijd krijgt om te knikkebollen. Ik kijk nu al uit naar deel 2 van het verhaal.
Wat weinigen weten is dat Shackleton en onze eigen Belgische poolontdekker Adrien de Gerlache nauwe contacten onderhielden. De ervaring van Adrien de Gerlaches overwinteringexpeditie (1897-1899) met de driemaster Belgica waren van onschatbare waarde. Leuk wist-je-datje: beide heren kregen een kraterrand op de zuidpool van de maan naar hen genoemd, de ongeveer 14 kilometer lange Shackleton de Gerlache Ridge. Voor de kenners: NAC M1348682369LR (NASA/GSFC/Arizona State University).
‘Ons’ Charlotte en Didier waren deze ochtend vroeg al druk in de weer met het samenstellen van pakketjes postkaarten en postzegels. Elke passagier krijgt vijf stuks om vanuit het afgelegen South Georgia uit te sturen naar vrienden en familie. De kans is groot dat onze groetjes hun bestemming pas bereiken als wij al lang terug thuis zijn.
Zij die niet buiten weer en wind trotseren om vogels en zeedieren te spotten, doden hun tijd met het volgen van lezingen over de meest uiteenlopende thema’s. Zo neemt geograaf Pablo ons mee in de natuurkundige wereld van de groei, aftakeling en beweging van ijs en gletsjers (die laatste zijn, afhankelijk van de definitie, met zo’n 150.000 verspreid over de hele wereld). Het is kiezen of delen, binnen of buiten waar voor dit gebied een recordaantal vrij zeldzame Atlantische stormvogels zweven rond het schip.
Trouwens, wist je dat je de beweging van ijs en gletsjers kunt illustreren met … ketchup, de meest bekende niet-Newtoniaanse materie (honing is Newtoniaans, en versnelt naarmate het meer helling/kracht krijgt). Heb ik geleerd van een vriend-glacioloog tijdens een trip naar Antarctica in 2024. Ketchup is veel plastischer dan honing en daar moet je kracht op uitoefenen – we slaan op de bodem van de fles – vooraleer de ketchup in beweging komt en blijft. Ondanks dat een gletsjer niet vloeibaar is, gaat hij wel bewegen in functie van de hellingsgraad van het landschap dat hij doorklieft.
Tussen het spotten van alle vogels door – we kregen enkele mooie exemplaren van de Kaapse stormvogel, de grijskopalbatros en de roetkopalbatros voor lens – blijft expeditieleider David onaflatend hameren op het belang van de bioveiligheid. Net als zijn naamgenoot David Attenborough die met een inspirerende video wijst op ieders verantwoordelijkheid om ’s werelds eldorado van dieren en planten te beschermen. We moeten te allen prijze vermijden dat invasieve fauna en flora het ecologische evenwicht van de archipel verstoren. “De controleurs van South Georgia zijn dan ook bijzonder streng. Een pluisje op een velcro of kiezel tussen de ribben van je laars, betekent strafpunten voor onze expeditie.” Liever voorkomen dan genezen … dus krijgen onze jassen, sjaals, mutsen, handschoenen, rugzakjes, fototassen, … deze middag een tweede ultragrondige stofzuig- en poetsbeurt.
De eerste volle dag op de al even volle zee zit er bijna op. “Bij dezelfde rugwind en stroming bereiken we morgen rond 17u00 de zone waar we onze snelheid moeten aanpassen tot maximaal 10 knopen om botsingen met walvissen te vermijden. Met een gezonde dosis geluk kunnen we rond middernacht ankeren bij Salisbury Plain”, rekent veiligheidsofficier Erdogan me voor. Iedereen mag op de brug volgen hoe de bemanning het schip navigeert, tenzij bij complexe operaties. “Er zijn altijd drie officieren van wacht, in shifts van vier uren.”
Dag 7
Ik kreeg vannacht een lezersmail: ‘Atlantic petrel werd letterlijk vertaald als Atlantische stormvogel, maar volgens de World Bird Database is de Nederlandse naam Schlegels stormvogel.’ Dank aan de aandachtige schrijver en hierbij dus rechtgezet. Het is wat met die Nederlandse namen in een internationale omgeving waar de voertaal Engels is. Maar bioloog John slaagt er wonderwel in om tijdens zijn lezing ‘Seals of South Georgia’ alle beestjes bijna foutloos in het Nederlands te benoemen. Hoe je een rob snel kunt onderscheiden van een zeehond? Een zeehond heeft geen oorschelpen. “Het is nog te vroeg in de lente om zeeluipaarden te spotten, maar zeeolifanten en pelsrobben zijn er met duizenden, zo niet miljoenen.”
South Georgia vormt samen met de nabijgelegen South Sandwich Eilanden, het Serengeti van het zuiden. Anno 2025 goed voor vier miljoen Antarctische pelsrobben (95% van de wereldpopulatie), 100 miljoen zeevogels waaronder drie pinguïnsoorten (ezel, koning en macaroni) en zo’n 6.000 exemplaren van de Zuid-Georgische pieper, de enige zangvogel van de Antarctische hemisfeer. En nog veel, veel, veel … meer soorten.
Dat was ooit anders. Tussen 1788 en 1825 werden naar schatting 1,2 miljoen pelsrobben gestroopt. Tegen 1912 was de soort zo goed als uitgeroeid op South Georgia. Idem dito voor de walvispopulatie die met 175.250 exemplaren werd uitgedund tussen 1904 – toen bouwde de Noorse ontdekkingsreiziger Carl Anton Larsen het eerste walvisstation bij Grytviken – en 1965 toen de laatste van vijf walvisfabrieken haar deuren sloot.
“Zo’n rampen wil de overheid van South Georgia niet nog es meemaken”, benadrukt Laura Sinclair Willis, de CEO of the Government of South Georgia and the South Sandwich Islands (SGSSI), die we – herinner je – een lift tot Grytviken geven. Haar ‘regering’ telt 14 mensen en is sinds 1985 (financieel) onafhankelijk van de Britse Kroon. “Onze kernopdracht is om SGSSI in zijn natuurlijke glorie te herstellen, duurzaam te beheren zodat het met veerkracht nieuwe dreigingen, zoals de klimaatopwarming, kan weerstaan.” Kosten dekken doet Laura met inkomsten uit visserij, duurzaam toerisme en de verkoop van massa’s … postzegels.
“IJsberg aan de horizon”, roept David door de intercom. En wat voor een: de A23h afgebroken van de moederberg A23. Iedereen stormt naar buiten. De ‘h’ met een oppervlakte van 344 km2 is 19 km lang (alsnog het U.S. National Ice Center) en schittert in de zon. En terwijl de camera’s aan één stuk door ratelen, maakt de duik van drie bultrugwalvissen het al unieke plaatje meer dan compleet.
Om 06u34 passeerden we ongemerkt de Antarctische Convergentie, een natuurlijke grens in de oceaan waar koude wateren van Antarctica botsen met warmere wateren uit het noorden. “Een ecologische barrière die het mariene leven sterk beïnvloedt”, legt bioloog Laura uit. “Het koude water zinkt onder het warmere en welt voedingsstoffen op en veroorzaakt een erwtensoep - dikke mist dus.” Een uitgelezen kans om er een wedstrijdje aan te koppelen. Iedereen kon de voorbije dagen al gokken op welk tijdstip we de convergentie zouden dwarsen. En wanneer we onze eerste ijsberg (12u38) zouden spotten. De winnaars zijn (tromgeroffel) Martine Driegelinck (zij gokte op 05u35) en Els Ingelbrecht (zij timede de ijsberg op 15u45) . Eeuwige roem en glorie.
‘Mannen gezocht voor een gevaarlijke reis. Lage lonen. Bittere kou. Lange maanden van totale verveling. Permanent gevaar. Behouden terugkeer onzeker. Eer en erkenning in geval van succes.’ Zonder verbloemen plaatst Shackleton een oproep in de media (fake news beweert Tennessee) op zoek naar mannen voor zijn expeditie met een Noors schip Polaris (gekocht voor een appel en een ei van Adrien de Gerlache), dat hij omdoopte tot Endurance. Zijn doel? De volledige doorsteek – te voet voor alle duidelijkheid – over het Antarctisch continent. En zo de eer van Engeland te redden, nu niet hij, maar de Noor Roald Amundsen als eerste de geografische Zuidpool wist te bereiken op 14 december 1911.
Nu we toch op volle zee zitten en onze wandelactiviteiten op een laag pitje staan, heb ik ruimte om de honderden pagina’s over de meest heroïsche tocht van Shackleton in extremis samen te vatten: op 100 km van de geplande landingsplaats in de Weddellzee werd de Endurance volledig door het ijs ingesloten, verpletterd en uiteindelijk op 21 november 1915 door de zee verzwolgen. Vooraf werden drie sloepen en proviand uit het zinkende wrak gesleept. Na maanden rondzwerven op drijvend ijs, bouwden de 28 mannen begin april 1916 kamp op vaste bodem, Elephant Eiland.
Shackleton stelde een team samen met de vijf grootste onruststokers (hen achterlaten in het kamp was vragen om moeilijkheden) om met de James Caird, een zeven meter lange walvisvaardersloep te zeilen naar South Georgia. Een tocht van zo’n 1.500 km over een van de meest ruige zeeën ter wereld. Na 16 dagen in vriezende kou bereikten ze de ruwe westkust bij King Haakon Bay. De walvisstations lagen echter aan de oostkust, achter een bergrug die nog nooit was overgestoken. Na opnieuw een levensgevaarlijke klim en afdaling van 36 uren hoorde hij samen met twee kompanen het fluitsignaal van de walvisfabriek op Stromness. Gered! Het zou nog vijf maanden duren voor de ijsgang Shackleton toeliet om met een walvisvaarder de 24 op Elephant Eiland achtergebleven mannen op te halen. Niemand kwam om het leven, wat deze redding tot een legendarisch voorbeeld van leiderschap en uithoudingsvermogen maakte.
Als nu niets meer fout loopt, zetten wij morgen voet op Salisbury Plain, waar liefst 60.000 paartjes koningspinguïns broeden.
Dag 8
5u55, ‘fish in the water’ codetaal voor ‘anker in het water’. De Bay of Isles baadt in een mistkraag behalve daar waar de zon zo dadelijk tussen de bergtoppen komt piepen. De zee wiegt spiegelglad. Windstil, -1°C (voelt als -7°C). Johan groet de dag.“Ginder, verscholen in de mist, zullen we straks landen op Salisbury Plain, bij een massa koningspinguïns”, wijst Sandra in het … niets. De zon priemt door de mist en langzaam wordt land zichtbaar. U2 klinkt zacht door de intercom: ‘It’s a beautiful day’.
“Tel jij de pinguïns, dan doe ik de zeeolifanten”, grapt Piet. Bij 113.452 geef ik er de brui aan. Ik overdrijf niet. Bij de crèches zitten de jaarlingen met duizenden bij elkaar gepropt. Hun synchroon gepiep rolt in golven over het keienstrand. Ik sta – zitten mag niet om besmetting met vogelgriep te vermijden – en kijk. Hoe de volwassen pinguïns hun crèches beschermen tegen de skua’s (reuzenroofmeeuw) die op elk onbewaakt moment een zwak jong proberen te roven. Hoe fotograaf Pancho aan de waterlijn een aanzwemmende pelsrob schiet. Hoe Zuidelijke zeeolifanten het strand komen bezetten. Hoe de gestrande ijsbergen oplossen in het mystieke decor van mist en lage wolken. Het geluk zit in kleine dingen.
Zo’n 15 minuten verder door wandelen door de dunne laag sneeuwijs jaagt een badmeester – zo noemt men het alfamannetje dat zijn territorium verdedigt – een jongere concurrent weg die zijn harem zeeolifanten te dicht naderde. De grommende en knorrende kolos weegt tot vier ton en kan zes meter lang worden. “De vrouwtjes zijn tot een vierde kleiner en wegen ‘hooguit’ 900 kg”, leer ik van bioloog John. Misjel is in de wolken: “Dit is een van de meest fascinerende plaatsen die ik ooit bezocht in de wereld, en dat waren er heel wat.” Wie ben ik om hem tegen te spreken?
Verkleumd, maar meer dan voldaan, keer ik naar het schip terug. Terwijl ik mijn laarzen zuiver borstel en ontsmet … zet de MV Magellan Explorer koers naar Fortuna Bay (54° 08’ 88" Zuid - 36° 48’ 49" West). Daar koloniseren zo’n 10.000 paartjes van de op een na grootste pinguïnsoort (Aptenodytes patagonicus). De sterksten worden tot wel 25 jaar oud. Ooit graasden hier op de begroeide hellingen rendieren – ingevoerd door de Noorse walvisvaarders begin 20ste eeuw –, maar die werden op heel South Georgia uitgeroeid (2012-2014) vanwege hun toenemende overbegrazing.
In het westen domineren de bergen van Breakwind Ridge. Ik stap vergezeld door kleine groepjes pinguïns een kleine kilometer richting de Königgletsjer naar de grote koningspinguïnkolonie. De duizenden kuikens piepen om voedsel. Het geroep van de ouders klinkt als het zoemen van een kleine drone of een overmoedige mug. “Lang niet zo’n kabaalmakers als de balkende ezelspinguïns”, vergelijkt Didier.
“Binnen enkele weken kun je hier letterlijk geen stap meer zetten zonder over een hoogzwangere zeeolifant te struikelen”, weet John. “En eind november maken ze plaats voor minstens evenveel pelsrobben.” Hopelijk had Shackleton daar geen last van toen hij hier in 1916 met zijn sloep uitgeput landde na de oversteek van de Scotia Zee. Ik volg Tennessee naar de grens aan de overkant van onze landingsplaats, waar een zeeolifant ligt te zonnen met haar jong van hooguit enkele dagen oud. Gedragen door de stevige bries hoor ik rondomrond gegrom van de mannetjes die wedijveren voor dominantie en toegang tot harems van vrouwtjes - stel je het geluid van de gootsteen voor die wordt ontstopt. “Wat verder om de hoek crashten in 1982 twee Britse Wessex HU.5 helikopters. Ze moesten de SAS-soldaten ophalen die werden ingezet om het eiland te heroveren op de Argentijnen.” Neen, ik mag geen kijkje gaan nemen. Twee X-gekruiste vlagstokken betekent: ino passerán.
Tijdens de recap raken de expeditiegidsen er maar niet over uitgepraat hoeveel geluk we hadden met de open, blauwe hemel, de felle zon, de matige wind en … de overvloed aan beestjes. Wie ben ik om hen tegen te spreken?
De avond valt en zoals alle dagen verduisteren we onze ramen. Zo vermijden we dat vogels op het licht afkomen en tegen het glas botsen. Het anker blijft waar het ligt, want deze nacht brengen we door in de baai.
Dag 9
5u56 - De kapitein licht het anker. Mijn kajuit vlakbij davert op zijn vesten. 13 minuten lang. Er lagen dan ook acht schakels in het water. Wake-up call met radio Charlotte, ‘Marry you’ van Bruno Mars. Bij windkracht zeven en 0°C (voelt als -8°C) herhaalt Stefan om ons in zoveel mogelijk laagjes te kleden. Het regent en sneeuwt afwisselend op Stromness. Het verlaten, verroeste walvisstation (54° 09’ 63” Zuid - 36° 42’ 09” West) leunt tegen de berghelling en oogt desolater dan ooit bij de grijze hemel. We mogen de ruïnes absoluut niet in vanwege het asbest- en instortingsgevaar. Hier klopte Shackleton na zijn helse tocht op 20 mei 1916 aan bij de Noorse manager van de fabriek: “Don’t you know me? (de manager verwart zijn stem met die van de scheepsmatroos) My name is Shackleton.” De rest is geschiedenis.
Tegen de noordwestenwind met zijn striemende regen en sneeuw in, volgen we de twee kilometer tot de waterval die Shackleton met zijn twee kompanen, Frank Worsley en Tom Crean, afdaalde tot in de vallei. Daar staat hij dan … Tennessee uitgedost als de held.
Tijd voor een uitgebreide fotoshoot waarna hij met krasse stem voorleest uit het reisverslag – dat van Shackleton welteverstaan – en afsluit met diens gevleugelde woorden (vrij vertaald): “We hadden god in zijn pracht gezien, het lied gehoord dat de natuur zingt. We hadden de naakte ziel van de mens bereikt.”
Doorweekt en verkleumd terug aan boord klaart de hemel op. Hopelijk houden we het zo tijdens onze landing op Grytviken. Het valt mee. Het lijkt alsof we de bewoonde wereld opnieuw binnenvaren. Aan de kade van South Georgia’s hoofdstad ligt de support- en patrouilleboot MV Pharos SG. De kapitein verzekerde Francine dat wij nochtans het enige schip in de buurt waren. “Helemaal alleen in deze wondere wereld.” Hij loog niet, maar vergat de nuance ‘passagiersschip’. Een detail vergeleken met wat hier straks in de kerk staat te gebeuren. Maar voor we aan land mogen, controleren drie auditors van Grytviken met een loep al onze buitenkledij op sporen van zaden, modder, … kortom alles wat een negatieve impact kan hebben op het lokale ecosysteem. Expeditieleider David slaakt een zucht van verlichting, we passeren met brio (100%) de test!
Ook in het Noorse kerkje is de opluchting groot. Rond 16u00 gaven bioloog John en geologe Laura elkaar het jawoord. Laura glundert. “Hier leerden we elkaar zeven jaar geleden ook kennen.” Het koppel lijkt wel twee albatrossen die elkaar na een jaar apart rondzwerven opnieuw opzoeken en hun eeuwige trouwgeloften herhalen. En wij heffen tijdens een geïmproviseerde receptie in de werkplaats van Grytviken het glas op het jonge paar.
Eén keer is geen keer, twee keer is een gewoonte. En dus brengen we nogmaals een toost uit, dit keer bij het graf van Shackleton. Een whiskyshotje in een kartonnen bekertje (huh?) als eerbetoon aan ‘the boss’, zo genoemd door zijn bemanning. Het bodempje Ierse blended – nochtans was Schotse malt Shackletons geliefde drank – sprenkel ik uit over zijn grafsteen als teken van respect voor zijn moed, doorzettingsvermogen en leiderschap. En van verbondenheid, als ‘delen we een slok’ met een gevallen kameraad.
Ik haast me naar de vergeten bibliotheek verstopt in een achterkamertje van de kerk. In het register uit de jaren 50 van de vorige eeuw ontdek je wie de boekenwurmen waren onder de walvisvaarders. Net als bij de ruïnes van de walvisfabriek buiten, voel ik ook hier de tastbare aanwezigheid van het harde leven van de mannen die hier werkten en wroeten, uitgebuit door een industrie die net zo weinig om hen gaf als om de walvissen die ze uitmoordden. Op South Georgia werden tussen 1904 en 1966 meer dan 175.000 kolossen gevild en uitgebeend om hun vetten, vlees en baleinen. En minstens nog eens een miljoen op de fabrieksschepen actief in de hele Antarctische regio. Alles werd verwerkt, tot de beenderen toe als meststof of veevoeder. Toen hun aantal zodanig was geslonken dat de jacht niet langer rendabel was, sloot Leith Harbour als laatste station op South Georgia zijn poorten. En zette daarmee een punt achter meer dan zestig jaar commerciële walvisvaart op het eiland.
“Aha, hier ben je”, komt expeditieleider David de shop binnen. Blijkbaar ben ik de laatste passagier nog aan land. “Geen zorgen, je bent niet te laat, iedereen vertrok gewoon vroeger dan gepland.” Ik krijg een zodiac helemaal voor mezelf.
Dag 10
De ‘misschien’ van gisterenavond is een ‘yes’ geworden met een wake-up call om 04u35. Gold Harbour is berucht voor zijn zonsopgang omringd door gletsjers en de uitlopers van de bergketen … en ‘yes’, de zon is ook van de partij. Samen met de hele groep – een tiental uitzonderingen te na – wandel ik nog wat slaapdronken naar de ‘mudroom’. De ruimte op dek 2 waar we onze laarzen en reddingsvesten opslaan, en voor en na elke uitstap broeken en schoeisel grondig poetsen en ontsmetten in de bootwash (echt waar, je wringt en schrobt je laarzen tussen drie roterende borstels, onder, links en rechts). Het is opvallend stiller dan normaal in de zodiac. Wind, en dus pinguïnguano in de neus. De alomtegenwoordige gedroogde pinguïnpoep geurt weeïg, met een bouquet van ammoniak, zwavel en rotte vis. En houdt hardnekkig stand in onze (bij voorkeur neus-) haren.
Surfend op een grote golf rollen we het strand op. De alfamannetjes zeeolifanten vinden ons zo interessant dat ze niet eens de moeite nemen om hun kop op te tillen. Skua’s vliegen op. Zuidpoolkippen trippelen zenuwachtig nergens heen, zo lijkt het toch.
We hebben geluk, het regent niet en Gold Harbour (54° 37’ 39” Zuid – 35° 56’ 24” West) maakt zijn reputatie waar: een breed zwart zand- en kiezelstrand tegen een adembenemend berglandschap waarin de Bertrabgletser uitmondt. Daarachter uitgestrekte stroken en hompen pollengras waartussen het smeltwater zijn weg zoekt en zeeolifanten bijna onzichtbaar ontwaken. Het is uit je doppen kijken, want voor je het weet sta je oog in oog met zo’n zwaargewicht.
We mogen tot op zo’n dertig meter de luid kwetterende koningspinguïnkolonie naderen. De jongen van vorig jaar staan er ook nog, donzig wezend in hun bruine pluizenvacht. Bedelend om voedsel dat (nog/maar) niet komt. Dwars doorheen de kolonie marcheert een colonne ezelspinguïns richting zee. Hun kolonie bevindt zich dieper landinwaarts, ergens achter het pollengras. De opkomende zon dompelt de koningspinguïns in een gouden gloed.
Net voorbij de waterlijn ligt gemakkelijk een paar honderd ton vet en spek te brommen op het strand, sporadisch tussen al die bruine lijven een zwart jong van hooguit enkele dagen. Ze schurken en wentelen zich tegen elkaar, laten onophoudelijk scheten, snuiven en blazen snot en zout naar buiten door hun slurf … en klotsen hun vetlagen schuivend over het strand tegen een snelheid die je niet verwacht. Cineast Mark zoomt in op een groepje ezelspinguïns met de hoop dat ze het water zullen induiken. “Ze weten gewoon niet wat ze willen verdomme; naar het water, terug, opnieuw met de tenen erin, om dan finaal nog een uur stokstijf te blijven staan.”
“Ik heb schrik voor de factuur voor alweer een extra dag schitterend weer”, grapt Carl. Philippe krijgt “blaren op mijn wijsvinger van non-stop op de fotoknop te drukken”. Geen paniek, deze namiddag houden we het rustiger met een ‘ship cruise’ door Drygalski Fjord, vernoemd naar professor Erich von Drygalski, leider van de Duitse Antarctische expeditie 1901-1903. De kapitein houdt Cooper Eiland aan stuurboord en stuurt drie uur lang door de fjord waar de wind bij de ingang tientallen ijsnomaden gevangen houdt. Ze lopen vast en smelten een langzame dood. Het contrast van vormen, kleuren en structuren maakt de fotografen gek. “Hoe blauwer ze zijn, hoe minder lucht in het ijs zit opgeslagen", legt geologe Laura uit. "Je hebt ze ook bruin dooraderd met laagjes aarde afgezet in de gletsjerkloof." Elf kilometer landinwaarts eindigt de fjord tegen het front van een van de uitlopers van de Novosilskigletsjer. De ideale spot voor een groepsfoto vooraan de boeg.
We nemen dezelfde weg terug en laten de 2331 m hoge Mount Carse aan bakboord. “Zeldzaam dat we hier geraken”, weet glacioloog Pablo. “Te vaak te strakke wind waardoor het schip nooit zo diep de fjord in kan. Laat staan dat we nog eens een open, blauwe hemel hebben. Jullie zijn voor het geluk geboren.”
Terwijl het selfies tegen het gletsjerdecor regent, rept Philippe zich naar het achterdek – hopend bij het keren van het schip de ijsrivier rustig te kunnen vastleggen. Hij is de enige die twee ijslawines kan schieten. Je kunt onmogelijk alles met eigen ogen zien, troost ik mezelf. We varen opnieuw voorbij de gracieuze blokkade van witte tempeliers (help, ik zit door mijn voorraad woorden om de ijsreuzen te beschrijven), sommige tot wel 40 meter hoog. Ze doen mijn fantasie op hol slaan. Ik zie burchten, torens, kathedralen, een helblauw buitenzwembad, een koningstroon, een hellend vlak met bovenop eeuwenoud, aardebruin gletsjerpuin, … “Nu begrijp ik beter de boodschap die Arne Quinze brengt met zijn kunstwerk ‘Rock Strangers’ op de dijk van Oostende”, hoor ik Marlène denken.
Het is 16u38, een volle maan verrijst bijna transparant tussen de toppen van de Salvesen Range. Kapitein Alexey Zakalashnyuk zet koers naar St. Andrews Bay, met zijn 300.000 koningspinguïns de grootste kolonie op South Georgia.
Dag 11
“Onmogelijk om met de zodiacs veilig te landen op het strand van St. Andrews Bay”, klinkt het door de intercom. “Katabatische of valwinden (van de bergflank richting zee) tot wel 60 knopen of 11 Beaufort staat gelijk met zeer zware storm.” Expeditieleider David gooit de dagorde om en we varen verder door naar Ocean Harbour. Om dan later op de dag een tweede poging te wagen bij St. Andrews.
Je kunt er onmogelijk naast kijken, het wrak van het bevoorradingsschip de Bayard (Noors) dat hier strandde in 1911. Het lag aan de kolensteiger van het lokale walvisstation (1909-1920) toen op 6 juni een hevige storm losbrak, de Bayard losrukte en tegen de rotsen sloeg. Vandaag neemt de natuur weer de overhand en maakt van het wrak een uitgelezen broedplaats voor keizersaalscholvers die nesten tussen het pollengras. Je herkent ze aan hun opvallende blauwe oogrand.
“Hier film ik met mijn hart.” Mieke verwoordt perfect wat we allemaal voelen. Zalig. Behalve de temperatuur. Het is zo goed als windstil en de vele laagjes worden er een paar te veel. Ik rits alles open wat kan en fatsoenlijk is. En ga op zoek naar Frank Cabrial, begraven in het oudste bekende graf – hij verdronk op 14 oktober 1820 – op deze uitzonderlijk kalme plek. De Amerikaan was steward op de brig ‘Frances Alan’, en zijn graf bewijst dat hier al schepen voeren, lang voor de start van de walvisstations. Het houten grafkruis ligt nu in het museum van Grytviken. Trouwens, op South Georgia zijn amper graven te vinden. Zij die stierven kregen meestal een zeemansgraf – dat was makkelijker en ging sneller.
Het pad naar het wrak van de Bayard weg ligt bezaaid met roestige restanten van de walvisfabriek en van een smalspoorlocomotief. Er liep zelfs een heus spoor rondomrond. “Toen men het hier voor bekeken hield omdat de winstmarges niet langer voldeden door de almaar strenger wordende regels, werd de grote machinerie naar de grotere stations versleept”, vertelt bioloog John, die hier zelf enkele keren verbleef in de enige hut die vandaag nog min of meer standhoudt.
De tweede poging om voet aan land te zetten bij St. Andrews Bay lukt wel. De valwind kalmeerde tot nul(!). Niet dat het stormweer de honderdduizenden koningspinguïns – en die ene verdwaalde Adéliepinguïn – die hier nesten zou deren. Maar nu hebben we wel heel uitzonderlijk helder en zonnig weer. Alle expeditiegidsen torsen hun fotomateriaal mee … “Zo helder blauw zag ik het nog nooit al die keren dat hier ik al kwam”, glundert fotograaf Pancho. En tot mijn eigen verbazing ruik je zelfs nauwelijks de pinguïnguano. Dat komt omdat de jongen hun eerste eten sinds de winter – de ouders waren maanden op voedseljacht – langer binnenhouden en het bij het begin van de lente nog niet te warm is geweest om alle kak te laten gisten. Gelukkig maar, want wetenschappers ontdekten recent dat wie zich te lang te midden van koningspinguïns waagt last krijgt van duizeligheid, verwardheid, hoofdpijn, maar ook een licht gevoel van euforie, ontspanning en … lachbuien. Huh? Als de stikstofrijke poep op de grond belandt, komen bodembacteriën in actie. Die zetten de stikstof om in distikstofmonoxide of … lachgas.
Ik verdenk Gino ervan te lang tussen … Door de terugtrekking van de gletsjers sinds de jaren 70 ontstond een uitgestrekte glaciale vlakte met lagunes en rivieren die voortdurend veranderen. Het krioelt van het luchtleven. Ik spot stormvogels, Zuidpoolkippen, skua’s, Antarctische sterns, kelpmeeuwen en zelfs een witte (behoorlijk zeldzaam) zuidelijke reuzenstormvogel. Verspreid over de vlakte drommen de pinguïns samen zover het oog reikt tegen een bergketen die doet denken aan Toblerone – het chocolademerk met de Matterhorn in zijn logo. Didier mijmert: “Hoe zullen mensen binnen 100 jaar deze plek ervaren? Als je nog maar kijkt hoe het hier 100 jaar geleden nog aan toe ging.”
“Dear friends” begroet expeditieleider David ons nu al tien dagen via de intercom. “De barbecue bij valavond verplaatsen we naar binnen, buiten was het niet haalbaar vanwege die eeuwige ijskoude bries.” Maar niet getreurd, de ‘bar talk’ van John over zijn expeditie naar Zavodovski Eiland in 1923, ten noorden van de South Sandwich Eilanden, doet ons wegdromen (toch?) van een volgende trip. Slaap zacht.
Dag 12
54° 00’ 67” Zuid – 37° 40’ 91” West. De boeg wijst naar Right Whale Bay aan de noordkust. Onze laatste landing op South Georgia, op het moraine strand, Binder Beach. 6u30, Stefan speelt de Bee Gees als wake-up muziekje en knipoog naar een gerucht dat de ronde doet. Eén van de matrozen meent onder de passagiers de bassist van de softrock en discoband te hebben herkend. Is het een urban legend of niet? Ik stop de vraag in de vragenbox. Benieuwd wat het antwoord wordt.
Eén van de eerste dingen die ik leerde op een poolreis is dat te veel warmte even erg kan zijn als te veel kou. Wie gaat zweten tijdens een wandeling, moet ventileren. Vertaald naar de praktijk: kleed je in laagjes zodat je een laagje kunt uittrekken of extra aandoen. Hoe dan ook, ik wring me weer door het ritueel van de laagjes. Dat ziet er bij mij als volgt uit (in die volgorde):
Ondergoed en sokken
Thermisch ondergoed
Extra paar dikke sokken
Lange broek en T-shirt
Sweater
‘Buff’ of nekwarmer
Waterdichte broek
Dikke, wind- en waterdichte jas
Handschoenen en muts
Reddingsvest
Stevige staplaarzen
De buitenrand van de koningspinguïnkolonie ligt bezaaid met dode jongen die het einde van de winter niet haalden. “Het lijkt wel een slagveld”, vergelijkt Rebecca. Hompjes dood dons met lege ogen in een wereld boordevol leven. Niet veel verder wordt in een kleine kudde zeeolifanten alweer een kalf geboren. Een troep skua’s en reuzenstormvogels verorbert de placenta in een oogwenk. De pinguïns kijken er al lang niet meer van op. Zien ze kleuren vraag ik me af. “Beter dan wij”, weet Pancho. “Wij zien de gele vlek op hun hals en borst als geel, zij als een geel met tal van nuances. Elke tint krijgt een betekenis. Op die manier onderscheiden ze sterkere van zwakkere exemplaren, jong en oud … Grootte en intensiteit zijn bepalend voor de keuze van de partner.”
Ik slenter alleen verder over het zwarte zandstrand. Voel me als die solitaire pinguïn die ik met de verrekijker spot op de kale ijsvlakte. Wetenschappers berekenden dat de echtscheidingsgraad bij koningspinguïns 80% bedraagt. Liever dan (onzeker) te wachten op hun levensgezel van vorig jaar, zoeken ze elk jaar een nieuwe partner.
“Last zodiac at 11h15”, brieft David. De buitenboordmotor zakt amper in het water of er duikt een zeeluipaard op met een koningspinguïn in zijn/haar muil. Het spektakel houdt aan, want net als een kat die met een muis speelt, rekt het luipaard de doodstrijd van de pinguïn. De natuur is mooi en wreed tegelijk. Ook dat was South Georgia.
“A land doomed by nature”, pende de Britse ontdekkingsreiziger James Cook in zijn logboek nadat hij in 1775 als eerste voet zette op South Georgia. Tijdens zijn 1.100 dagen tellende expeditie (1772-1775) had hij dan wel geen zuidelijk continent gevonden – negatieve exploratie heet dat met een duur woord –, zijn natuurkundige aan boord, Johann Reinhold Forster, had wel degelijk ontdekkingen gedaan. Over het ontstaan van ijsbergen bijvoorbeeld die volgens hem niet werden gevormd in de monding van rivieren. Het water moest eerder bevriezen, en niet pas bij de kust. Ook beschreef hij als eerste de magelhaenpinguïn en ontdekte een witte steltloper die hij Zuidpoolkip doopte. Bij een ultieme poging het Grote Zuidland te vinden dat de wereld in evenwicht hield, trof Cook rond de 54ste breedtegraad land aan dat op voorspraak van de naturalist de naam Zuid-Georgië kreeg, genoemd naar de man die hem als hoofdwetenschapper had aangesteld: de Britse koning George III. Dat de zoon van Johann Reinhold Forster dezelfde naam droeg, was louter toeval. Tijdens een landing ontdekte hij zijn vijfde pinguïnsoort, de koningspinguïn.
Helaas ontdekken wij onze vijfde soort niet tijdens de ship cruise rond de Willis-eilanden (54° 0’ 0” Zuid – 38° 11’ 0” West), het meest noordelijke punt van de archipel en van Bird Eiland gescheiden door de Stewart Straat. “Weinig toeristen hebben die ooit bezocht, zelfs ik niet”, klinkt David opgewonden door de intercom. We zijn nu echt op exploratie!” Macaronipinguïns broeden er op de steile kliffen. Met zo’n één miljoen paartjes zijn ze op South Georgia, maar we zijn (te) vroeg in het seizoen om ze te spotten. Het gros van de bende komt hier pas binnen enkele weken terug aan land. De hele winter blijven ze, net als de andere pinguïns, op zee. Hun naam danken ze aan de kleurrijke veren op hun kop, die doen denken aan de flamboyante kledingstijl van de modieuze ‘macaroni-mannen’ in het Londen van de 18de eeuw, de voorlopers van de dandy’s.
“Heiig weer”, noemt Kristel een door mist verstoord uitzicht. Nog nooit hoorde ik de vergelijking, maar kan me perfect voorstellen wat ze bedoelt nu ik door de flarden van laaghangende wolken amper de horizon zie. Toch navigeert de kapitein ons door de nauwe Trinity Straat terwijl op de achtergrond dreigende, tegelijk opzwepende filmmuziek van ‘Master and Commandor’ klinkt.
We laten South Georgia definitief achter ons. Weerom drie dagen volle zee vooraleer we de Falklandeilanden op de radar krijgen.
Dag 13
Het is 6u50, 1°C, in de lounge op dek 5 bots ik op wereldreiziger Jaak.“Deze reis zetten we in onze top drie. Antarctica staat op één.” En … ik leer bij, diersoorten met een eigennaam schrijf je niet met hoofdletter. De zee lijkt plat – “lake Scotia”, vergelijkt Stefan –, in de verste verte geen golfkraagje te bespeuren. Ook Philippe is, zoals altijd, bij de vroegste vogels en denkt een reuzenalbatros in zijn lens te bespeuren.
‘Ik ben de albatros die op je wacht aan het einde van de wereld. Ik ben de vergeten ziel van de verdronken zeelui die Kaap Hoorn rondden, komende van alle wereldzeeën’ dichtte de Chileense Sara Vial (1927-2016).
Ik ben de albatros. Zonder de wind zou ik nergens zijn en nergens komen. Pas vanaf de 35ste breedtegraad zie je me vliegen. De lucht tilt me op en neemt me mee naar woelige zuiderbreedten. De Roaring Forties, de Furious Fifties, de Screaming Sixties, de wind brult, tiert en schreeuwt en waait alsmaar westwaarts.
Ik ben de albatros. De Engelsman, Richard Hawkins wijdde in 1593, op weg naar de Straat Magellaan, de eerste geschreven woorden aan mijn bestaan. Grote zwanen zag hij boven zich, die in het bruisend kielzog doken naar een maal.
Tennessee breekt mijn poëtische ochtend in twee. Zijn lezing over Shackletons expeditieteam in de Rosszee (die voorraden moest aanleggen om zijn doorsteek van het Antarctisch continent haalbaar te maken) is op zich minstens even heroïsch te noemen als de reddingsoperatie die hij overleefde. “Wil je tot de kleinste details weten over Shackletons vergeten ‘Ross Sea Party’ met het schip Aurora, lees dan ‘The lost men van Kelly Tyler Lewis”, raadt Tennessee aan. “Trouwens, nog nooit maakte ik zo’n kalme Scotia-zee mee als vandaag. Welk geluk jullie ook meedragen, laat het asjeblieft achter op het schip.”
Ik ben de albatros, volgens velen het symbool van puurheid en onschuld; nobel en superieur zweef ik over de zuidelijke zeeën. Carl Linnaeus, de grote Zweedse naamgever van fauna en flora, doopte mij ‘Diomedea exulans’, de grote albatros. Naar Diomedes, de mythische Griekse held die tijdens de Trojaanse oorlog Aphrodite met een speer verwondde. Zij strafte hem en zijn handlangers met een storm en veranderde hen in witte vogels die nooit meer terug zouden kunnen keren. Net als mijn nakomelingen, die eerst tien jaar rondjes om het Grote Zuidland vliegen voordat de nesteldrang hen eindelijk terugbrengt naar de geboortegrond. De mensen in het noorden gebruikten mijn dons in jassen, kussens en mutsen. Mijn snavel werd een papierhouder, mijn poten een tabakszak, mijn gedroogde poep werd mest voor boeren. Het wit uit mijn eieren bleek zeer geschikt voor het afdrukken van foto’s. Mijn veren moesten vrouwen mooier maken en eindigden op hoeden en in stola’s en boa’s.1
1 Bron: Adwin De Kluyver, ‘Niemandsland. Een Antarctische ontdekkingsreis’, Spectrum
De albatros mag dan wel opduiken in tal van toepassingen – golfers die hun balletje het langst kunnen laten zweven en drie slagen minder nodig hebben dan het gemiddelde, scoren een ‘albatros’ – tijdens de recap maak ik kennis met een wel heel beroemde koningspinguïn: Nils Olav III, beter bekend als Major General Nils Olav III. Hij woont in de Edinburgh Zoo in Schotland en is de officiële mascotte en erekolonel van de Noorse Koninklijke Garde. Telkens de garde Edinburgh bezoekt krijgt de pinguïn – intussen de derde generatie – promotie.
“Als we deze kalme zee en snelheid van 13 tot 14 knopen kunnen aanhouden, zouden we morgenmiddernacht al Bleaker Eiland op Oost-Falkland kunnen bereiken”, hoopt veiligheidsofficier Erdogan. Een halve dag vroeger dan verwacht. Leve de weergoden!
Dag 14
Gedaan platte zee. Bij windkracht 8 tot 9 (tot 80 km/u) beuken de golven op de boeg. De Stugeron en gember doen hun werk. Ik houd stand. Leve de weergoden? Of leve Ganesha? Het goudkleurige beeldje van de hindoegod staat wat weggestopt tussen de koffiemachine en de theedoos op de brug (dek zes). De god met het olifantenhoofd moet geluk en voorspoed afdwingen en het schip vrijwaren van alle obstakels of onheil. “Of we het beeldje opzettelijk aan boord brachten? Helemaal niet”, lacht tweede officier Oleksandr uit Odessa Oekraïne. “Het werd gewoon door een passagier achtergelaten als geschenkje.” De doos Belgische pralines die wij schonken, is intussen al lang met smaak verorberd.
Toch zullen we wat geluk nodig hebben, want in de eetzaal is gisterenavond in de luwte een muiterij begonnen. ‘Wie zijn ze? Wat drijft ze?’ De tafel waar gewoontegetrouw Gino en zijn gezelschap plaatsnemen, werd gisterenavond onverwacht en geweldloos ingenomen door Jos en zijn team. Benieuwd naar wie de volgende (en welke) zet zal doen.
Op het oproer na, wordt het een rustige dag. Anders gezegd, een dag zonder veel inspanning of beweging. Op het programma twee films, twee lezingen en de fotoliefhebbers brengen bij Mark en Didier hun beeldjes binnen voor de fotowedstrijd. Elke passagier mag per categorie (‘mens’, ‘fauna en flora’, ‘landschap’ en ‘buiten categorie’) één foto indienen.
Later in de namiddag – Misjel toont me net een foto van de dunbekprion – kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de wind aan kracht wint. Bovendien zie ik German bijna onzichtbaar overal kotszakjes deponeren. Ik neem het zekere voor het onzekere en sla de lunch over. Zie je wel, mijn voorraad zoutkoekjes komt nu dan toch nog goed van pas. Zeeziekte is een gevecht tussen oor en oog, waarbij de maag altijd wint. Enkele fanatieke zeeziekvrije vogelaars – je herkent ze gemakkelijk aan hun kanonlenzen – blijven volhardend speuren naar details op en rond het water. Ik ben al blij dat ik het eerste deel van de Britse tweedelige miniserie ‘Shackleton’ (historisch accuraat, een echte aanrader) probleemloos uitzit.
Dag 15
05u15 | ‘Fish in the water’.
07u15 | Verkenningszodiac gaat te water
07u30 | Ontbijt
08u50 | Eerste passagiers stappen aan land
Tussen ontbijt en landing beroert het bericht van muiterij de gemoederen. Gino is rotsvast van plan tegenactie te ondernemen. Die eeuwige bries zorgt voor een natte landing op Sandy Bay, Bleaker Eiland (52° 11’ 03” Zuid – 58° 50’ 12” West).
Nick Rendell en zijn vrouw Paola leven er samen met zijn ouders. “De prijs van de wol is zo gekelderd dat we schapen hoeden moesten vervangen door toerisme. En dat lukt aardig goed. De 250 schapen die we nog hebben, dienen als voedsel voor onszelf en de gasten.” Met zijn Land Rover Defender brengt hij zij-die-willen naar de kolonie van zuidelijke rotsspringers. “Ik was al ongerust dat jullie niet zouden landen, de meeste kapiteins laten Bleaker Eiland immers links liggen bij zo’n sterke wind.”
Ik wandel de 2,5 kilometer door het glooiende graasland, waar vooral kelp-, roodkop- en magelhaenganzen broeden, tot de kliffen met de zuidelijke rotsspringers. Die eeuwige bries (tot 40 knopen) geselt het landschap. Ik hoor enkel het klepperen van mijn kap tegen mijn oren. Het laatste eind gaat door een strook pollengras waar magelhaenpinguïns zich verstoppen. De rotsspringers delen de steile rotswanden met keizersaalscholvers en de magelhaenaalscholvers. En dan heb ik het nog niet gehad over alle andere gevleugelde soorten die hier opduiken. Kortom, ik ben omringd door een zoo vol leven. Als de kleine kolonie haar keel openzet klinkt het als het geknars van mijn niet-gesmeerde fietstandwiel. Of ligt dat aan mij?
“Wie weet krijgen jullie Nickesto te zien”, knipoogt Nick. “Het is een eenzame macaronipinguïn die nest tussen de rotsspringers. En als grap naar mij genoemd.” En ja hoor, daar zit hij/zij dan, onopvallend nestmateriaal en steentjes te stelen van de buren. De deugniet. En we hebben nog meer geluk, want iets verder op de klif, spot John een (weerom eenzame) noordelijke rotsspringer – die kreeg van Nick de naam Tristan. “Omdat hij wellicht van Tristan da Cunha, een uiterst afgelegen archipel in de zuidelijke Atlantische Oceaan, komt. Hier zo’n 4.000 km vandaan.” Te herkennen aan zijn weelderige, wilde pluimdos. Als ik goed kan tellen betekent dit vier pinguïnsoorten op dezelfde ochtend. En acht soorten op de hele reis als je de konings-, ezels-, kinband (we hebben er eentjes gespot in zee) en adéliepinguïn erbij telt. Wie doet ons na?
Dag 16
“Hoe snel varen we”, vraagt iemand me in de gang. Niet, we liggen net voor anker. De kapitein herpositioneerde het schip zodat landen … haalbaarder wordt. Toch blijft het tot het allerlaatste moment een dubbeltje op zijn kant. Het lukt om te landen bij Settlement Harbour. New Eiland (51° 43’ 64” Zuid – 61° 17’ 17” West), volgens de reisgids een van de meest pittoreske eilanden van de Falklands, biedt meer dan we hoopten. Tot een ‘souvenir’-shop en minimuseum toe – kun je voorstellen, op een ruig eiland zonder einde, geteisterd door die eeuwige ‘bries’. En vandaag staat die extra strak, tot wel 40 knopen (85 km/u).
“We worden hier niet gezandstraald, maar gezoutstraald”, vergelijkt Chris. Na zo’n anderhalve kilometer tegen de wind op klimmen, bereik ik de kliffen waar de wenkbrauwalbatrossen, samen met magelhaenaalscholvers en rotsspringers alle beschikbare hoekjes, kantjes en richels netjes(?) onder elkaar verdelen. De wind giert uit zee en drijft het opspattende zoutwater tot diep landinwaarts. Dat wordt hard labeur eens terug aan boord, om het zout, de grootste vijand van fotoapparatuur, weg te spoelen.
De souvenirshop is een replica van de Barnard Hut, gebouwd door Charles H. Barnard, een Amerikaanse sealer – jager op zeehonden en pelsrobben – uit Nantucket. In 1813 redde Barnard schipbreukelingen van het Britse schip ‘Isabella’. Hoewel Amerika en Engeland toen in oorlog waren (een soort tweede onafhankelijkheidsstrijd van de Amerikanen) bood hij hulp. Maar toen hij met een deel van zijn bemanning op voedseljacht ging op New Eiland, gingen de Britten er met zijn schip ‘Nanina’ vandoor. Pas na twee jaar overleven op het eiland, in een zelfgebouwde hut, werden Barnard en zijn mannen opgepikt.
Aan het strand ligt nog zo’n levende legende, het wrak van de ‘Protector III’ (voorheen de MMS 251, ook wel de ‘Mickey Mouse’ genoemd), in 1942 gebouwd als mijnenveger. Na de Tweede Wereldoorlog diende het als zeehondenjager. Toen dat niet langer rendeerde, kocht Cracker Jack Davis, een figuur op New Eiland, het in 1958. Hij zou het opknappen en verder gebruiken als cargoschip voor onder meer schapen. Maar dat is er nooit van gekomen …
Vandaag is New Eiland een natuurreservaat, zonder schapen of runderen, een plek voor de geschiedenis en … de vogelaars met zoutbestendige camera’s. Dit was onze laatste landing.
Het is 13u30 als we opnieuw het ruime sop kiezen richting. De wind zwelt nog wat aan, dus ook de golven. Zonder tegenvallers, bereiken we Punta Arenas in de heel vroege ochtend zondag 12 oktober.
Dag 17
Ik sta voor de spiegel en scheer mijn drie weken oude stoppelbaard. Zoniet mag ik niet meer binnen van mijn vrouw – en riskeer ik misschien niet herkend te worden bij de paspoortcontrole op de luchthaven. Een gewaarschuwd man …
Een volle dag op zee betekent geenszins dat er niets te beleven valt – de vogels en de diehard vogelaars buiten beschouwing gelaten. Om een idee te geven:
05u20: Misjel: “Een van zijn mooiste zonsopgangen ooit.”
07u30: wake-upcall met zoals iedere ochtend opnieuw Stefan aan de microfoon en Charlotte de muziekkeuze
08u00: ontbijt
09u30: lezing door Tennessee over ‘James Clarck Ross’
11u00: lezing door Pablo over ‘Earth from space. Observing our planet from a vantage point’
12u30: lunch
15u00: quiz over onze reis
16u00: thee met cake en sandwiches
16u30: Asteria Expeditions fotowedstrijd
18u45: de allerlaatste recap en ‘Farewell Cocktail’
19u30: diner
21u15: in primeur, Pancho’s film en de veiling van de tekening die Sergei maakte
Maar toegegeven, er is meer tijd om te mijmeren, nu ik niet langer per dag minstens twee keer in en uit al die laagjes kleren moet. Ik ben er nog altijd vol van hoeveel honderdduizenden pinguïns - maar liefst acht soorten - we op onze reis ‘ontdekten’. Toch vraag nu pas vraag ik me af wie het immer grappig waggelende dier voor het eerst heeft gezien.
Hoewel pinguïns naar schatting al zo’n 45 miljoen jaar op aarde voorkomen, duurt het tot november 1497 voordat de eerste westerse mens oog in oog stond met het dier. Een matroos van een schip van de Portugees Vasco da Gama beschreef in zijn logboek een vogelsoort zo groot als een gans die een balkend geluid maakt (wellicht was het een ezelspinguïn) en die geen veren op de korte vleugels had. Vliegen kon hij niet. Hij noemde het ‘fotylicayos’. Van een foto nemen was toen nog geen sprake.
Wij daarentegen. Wellicht werden er deze reis meer foto’s genomen dan het aantal pinguïns dat we met z’n allen voor de lens kregen. Zonder fototoestel en met mijn notitieboekje ben ik een zonderling. Maar ik maak me geen zorgen. Ik ben omringd door een groep getalenteerde fotografen, waaronder Misjel en Mark wiens beelden en film ons na de reis eindeloos zullen doen nagenieten.
Tijd voor de winnaars van onze fotowedstrijd. Tientallen passagiers selecteerden met zorg hun beste kiekjes in vier categorieën: fauna & flora, landschap, mensen en ’buiten categorie’. En de stem van het publiek ging naar: Jaak (mensen), Jos (landschap en fauna & flora) en Annick (buiten categorie). De prijs van de jury nam Chris in ontvangst.
De reis nadert de zijn eindpunt. Mijn schrijfpotlood – ik gebruik bewust geen balpen omdat koude en inkt niet matchen – werd een stompje. De quiz, 33 kennisvragen over de reis mondde uit in een hilarische, spannende ontknoping. Applaus voor team ‘Santa Rita’.
Op ’the captains farewell cocktail’ klinken we op de uitstekende afloop van de, zonder overdrijven, unieke reis. Tijd voor een pak hartelijke woorden van dank voor de bemanning en het team expeditiegidsen."Hoe opwindender het voor jullie was, hoe spannender voor mijn bemanning. Maar net als jullie zijn ook wij trots dat we tot het uiterste zijn gegaan. Save trip back home!”
En dan is het tijd voor het slotstuk. Gedurende de hele reis tekende onze Russische gids – een verborgen talent – een zeekaart versierd met tal van dieren. Vanavond veilde hij zijn pentekening, goed voor meer dan 40 uren engelengeduld. Hannelore en Piet boden het hoogst en mogen de tekening naar huis meenemen. De opbrengst gaat naar Antarctica21 Foundation. Die organiseert activiteiten (educatief, cultureel, wetenschappelijk) om de hele wereld bewust te helpen maken van het belang om het Antarctische ecosysteem te beschermen.
Na de première van Pancho’s foto- en videoreportage en … een korte nacht verlaten we morgenochtend, zondag 12 oktober, het schip.
Ooit al eens een vier ton zware zeeolifantenstier zien vechten om zijn harem te beschermen? Ik nu wel. Ik keer in gedachten terug naar onze laatste landing. De stemming is sereen: we beseffen allemaal dat dit wellicht de laatste keer is dat we deze desolate, maar o zo rijke plaats met eigen ogen zullen zien. Iedereen zwijgt en kijkt. Naar de baai, het wrak, het schip … Op een steen naast me groeit korstmos, zoals op zowat alle plekken waar we aan land gingen: een gele vlek in een wereld van wit, groen, blauw en grijs. Voorzichtig voel ik over de symbiose tussen schimmel en alg. Met een groeisnelheid van 0,1 millimeter per jaar overtreft de levensvorm mij verre in leeftijd. Hoe weinig mensen stonden hier al voor mij, overweldigd door wat ze zien, voelen, ruiken …?
We vormen één grote familie wereldburgers. Zoals expeditieleider David het verwoordde: “Het is dankzij jullie ervaring, jullie respect, jullie doorzettingsvermogen dat ook mijn team en de bemanning tot het uiterste gingen.” En dat Asteria dit soort intense expeditiereizen kan organiseren. “Wacht maar, als de zodiac landt wordt het pas duidelijk hoe immens en indrukwekkend een massa van meer dan 60.000 paren koningspinguïns wel kan zijn”, voorspelde Yan. Hij kreeg gelijk.
Elk van ons koestert zijn persoonlijke hoogtepunten. En probeerde die in beelden te vatten. Om ze na het afscheid als herinnering te koesteren en te delen. Besef, wat jij hebt ervaren doet je groeien als mens. Zijn wij dan ook niet het best geplaatst om te ijveren voor het ongerepte voortbestaan van die plek op aarde waar alles nog klopt?
Feiten uit ons logboek
Punta Arenas heen en terug: 2956 nautische mijl of 5474 km
Waterverbruik: 24.000 liter onzilt en gezuiverd zeewater
Gespotte diersoorten: 63
Gespotte pinguïnsoorten: 8 (magelhaenpinguïn, ezelspinguïn, adeliepinguïn, kinbandpinguïn, macaronipinguïn, koningspinguïn, zuidelijke en noordelijke rotsspringer)
Mensen aan boord: 136, waarvan 62 bemanningsleden – 17 nationaliteiten
Meest oostelijke punt bereikt: 54° 32’ 03” Zuid – 35° 41’ 03” West
Meest zuidelijke punt bereikt: 54° 51’ 02” Zuid – 35° 50’ 04” West
Hoogste windsnelheid op de brug gemeten: windstoten tot 65 knopen (meer dan 120 km/u)
Keukenweetjes: 7200 eieren, 675 kg vlees, 350 kg vis en zeevruchten, 580 flessen wijn, 240 kg bloem, 240 grote zakken chips …

